Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17054
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het ongegrond.

Eiser erkent dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is, maar voert aan dat hij vanwege slechte opvangomstandigheden, discriminatie en racisme in Duitsland, en zijn eerdere opname in Nederland, zijn aanvraag toch in Nederland behandeld zou moeten worden. Tevens wijst hij op zijn vader die in Nederland verblijft en hun onderlinge afhankelijkheid.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Nederland mag vertrouwen op de naleving van verdragsverplichtingen door Duitsland. Eiser heeft onvoldoende objectieve informatie geleverd om aan te tonen dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt of dat terugkeer een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.

Ook is onvoldoende onderbouwd dat de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder de relatie met zijn vader, een uitzondering rechtvaardigen op grond van artikel 16 of Pro 17 van de Dublinverordening. De keuze van eiser om naar Duitsland te reizen blijft voor zijn eigen rekening.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en wijst het af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17054

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2]
6. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Nederland heeft bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 14 januari 2026 aanvaard.
Beroepsgronden
7. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag] 2001 en dat hij de Syrische nationaliteit heeft.
8. Eiser betwist niet dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser vindt dat verweerder zijn asielaanvraag toch in behandeling had moeten nemen. Eiser licht in dat verband toe dat hij al eerder in Nederland is opgenomen in de asielprocedure en dat hij op enig moment, vanwege zijn onzekere verblijfsrechtelijke positie, naar Duitsland is gegaan. Als hij dat niet had gedaan, dan zou Nederland zijn asielaanvraag gewoon inhoudelijk beoordeeld hebben. Eiser heeft verder aangevoerd dat de omstandigheden in de opvanglocatie in Duitsland slecht waren. Eiser merkt op dat het niet zonder meer vast staat dat zijn asielaanvraag in Duitsland alsnog inhoudelijk wordt beoordeeld en dat hij daar toegang zal krijgen tot deugdelijke opvang en voorzieningen. Eiser stelt dat hij in Duitsland ook te maken heeft gehad met vernedering, discriminatie en racisme. Hij spreekt daarom van een structurele tekortkoming in de asielprocedure en opvang. Tot slot merkt eiser op dat zijn vader in Nederland verblijft en dat zij voor hun geestelijk en emotioneel welzijn afhankelijk zijn van elkaar. Verweerder heeft daarmee ten onrechte geen rekening gehouden in het bestreden besluit.
De rechtbank overweegt als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [3] van 25 januari 2024 [4] , 6 mei 2024 [5] en 14 februari 2025 [6] . Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Het is aan eiser om dat aannemelijk te maken.
10. Zoals verweerder terecht heeft overwogen is eiser er niet in geslaagd om met objectieve informatie aannemelijk te maken dat de Duitse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [7] .
11. De verklaring van eiser, dat de opvangvoorzieningen in Duitsland slecht waren en dat hij te maken heeft gehad met vernedering, discriminatie en racisme, is onvoldoende voor een ander oordeel. De Duitse autoriteiten hebben met de aanvaarding van het terugnameverzoek gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van verplichtingen die voortvloeien uit de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Indien eiser meent dat Duitsland daarin tekortschiet, ligt het op zijn weg daarover in Duitsland te klagen. .
Artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening
12. In wat eiser heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 16 en Pro/of artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat eiser niet met documenten heeft aangetoond dat zijn vader in Nederland verblijft en dat eiser ook de gestelde geestelijke en emotionele afhankelijkheid niet met (medische) documenten heeft onderbouwd. Die onderbouwing heeft eiser ook in beroep niet gegeven. Verweerder heeft dan ook geen reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken.
13. Verweerder heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de andere door eiser aangedragen persoonlijke omstandigheden ook niet maken dat een overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Dat eiser tijdens zijn asielprocedure in Nederland op enig moment ervoor heeft gekozen om de asielopvang te verlaten en naar Duitsland te reizen, is een keuze die hij zelf heeft gemaakt en die moet voor zijn rekening en risico blijven.

Conclusie en gevolgen

14. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
7.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden