ECLI:NL:RBDHA:2026:10623
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit Kameroen
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie, opgelegd aan een persoon van Kameroense nationaliteit. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 30 januari 2026 behandeld, samen met de bodemzaak. Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op 6 mei 2026 uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft het beroep van verzoeker gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand gelaten. Hierdoor acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en is openbaar gemaakt op 6 mei 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen.