Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL 25.13409
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tot beslissing op bezwaar

Verzoekster, van Ghanese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door verweerder is afgewezen bij besluit van 20 maart 2025. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht op 21 maart 2025 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die haar uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar was beslist.

Verweerder heeft op 26 augustus 2025 laten weten zich niet te verzetten tegen het verzoek om de voorlopige voorziening toe te wijzen, voor zover het betreft het niet uitzetten van verzoekster tot de bezwaarprocedure is afgerond. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en verbiedt de uitzetting tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.

Daarnaast wordt verweerder verplicht de proceskosten van verzoekster te vergoeden, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, er staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoekster tot vier weken na beslissing op bezwaar en veroordeelt verweerder tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.13409
[v nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], geboren op [geboortedag] 1959, van Ghanese nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. L.T.M. Hooijmans),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.
1.1.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft verzoekster op 21 maart 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt haar uitzetting te verbieden totdat op haar bezwaar is beslist.
1.2.
Verzoekster is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op 26 augustus 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekster totdat er een beslissing is genomen op haar bezwaar.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat van uitzetting van verzoekster moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet verweerder aan verzoekster een proceskostenvergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekster moet vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.