Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:1051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
09/130062-25 en 09/024647-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging en veroordeling voor meerdere geweldsfeiten met oplegging gevangenisstraf en tbs-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft verdachte vrijgesproken van bedreiging jegens een slachtoffer, maar veroordeeld voor vier geweldsfeiten tegen verschillende vrouwen, waaronder zijn ex-partner. De bewezen feiten betreffen mishandeling, voortgezette handeling van mishandeling, poging tot zware mishandeling en poging tot zware mishandeling. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer en het beroep op schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro.

De rechtbank nam uitgebreid bewijsmateriaal in overweging, waaronder verklaringen van slachtoffers, deskundigenrapportages en het strafblad van verdachte. De feiten zijn bewezen verklaard op basis van getuigenverklaringen, letselrapportages en opname van telefoongesprekken. De rechtbank oordeelde dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en dat het recidiverisico hoog is vanwege een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op met aftrek van voorarrest en een tbs-maatregel met voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar is. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. De voorlopige hechtenis wordt geschorst zodra verdachte in een kliniek kan worden opgenomen. De rechtbank wees ook schadevergoedingen toe aan de benadeelde partijen en veroordeelde verdachte tot betaling daarvan, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

De rechtbank achtte het noodzakelijk dat verdachte klinische behandeling ondergaat vanwege zijn stoornis en het hoge recidiverisico. De tbs-maatregel met voorwaarden is passend geacht, mede vanwege het ziektebesef en de motivatie die verdachte ter zitting toonde. De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf toe wegens het niet naleven van voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van bedreiging, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf en tbs-maatregel met voorwaarden voor meerdere geweldsfeiten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/130062-25 en 09/024647-24 (tul)
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 augustus 2025, 28 oktober 2025 (beide pro forma) en 12 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. van der Eijk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op:
1. april 2025 in Zoetermeer zijn (ex)partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
2. 16 augustus 2020 in Zoetermeer zijn (ex)partner, primair heeft geprobeerd zwaar te mishandelen, subsidiair heeft mishandeld;
3. 25 januari 2025 in Zoetermeer [slachtoffer 2] , primair heeft geprobeerd zwaar te mishandelen, subsidiair heeft mishandeld;
4. 25 januari 2025 in Zoetermeer [slachtoffer 2] heeft bedreigd;
5. 16 augustus 2020 in Zoetermeer zijn (ex)partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 3 subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
3.3.
Vrijspraak feit 4 (bedreiging [slachtoffer 2] )
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde, de bedreiging van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), oordeelt de rechtbank als volgt. [slachtoffer 2] verklaart dat zij na de mishandeling in de gang van de woning door de verdachte tegen is gehouden. In de gang zou hij de ten laste gelegde bedreiging hebben geuit. De verdachte ontkent [slachtoffer 2] in de gang met de dood of met zware mishandeling te hebben bedreigd. De gehoorde getuigen hebben niets verklaard over de bedreigingen die de verdachte heeft geuit jegens [slachtoffer 2] .
Het enige andere bewijs dat betrekking heeft op de inhoud van de dreigende woorden die de verdachte heeft geuit, is het door [slachtoffer 2] opgenomen telefoongesprek waarop te horen is dat de verdachte zegt: “Noem mijn naam en politie nog één keer ooit in jouw leven in 1 zin?. Gaat niet goed aflopen…”. Uit deze opname volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de dood of met zware mishandeling, ook niet dat dit woorden zijn van gelijke strekking.
Gelet op het voorgaande spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden
slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
3.5.
Bewijsoverwegingen
feiten 1, 2, 3 en 5
Ten aanzien van feit 1
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Volgens de verdediging zou de verdachte uit het niets door [slachtoffer 1] van achteren zijn aangevallen met een mes. De verdachte zou hebben geprobeerd het mes af te pakken en in een worsteling [slachtoffer 1] geraakt kunnen hebben.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen, omdat de lezing van de verdediging niet overeenkomt met het letsel van [slachtoffer 1] , de aangetroffen pluk haar in de woning en het meldkamergesprek waarin [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij is geslagen door haar ex-partner.
Het beroep op noodweer wordt verworpen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de door en namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. De rechtbank gaat er gelet op het verhandelde ter terechtzitting van uit dat de verdachte op [slachtoffer 1] af kwam lopen, haar achtereenvolgens meerdere klappen heeft gegeven en aan haar haren heeft getrokken en dat zij pas daarna een broodmes heeft gepakt, waarmee zij dreigde dat de verdachte weg moest. De verdachte heeft dit mes afgepakt en heeft de woning vervolgens verlaten. De verdachte heeft zich dus niet in een noodweersituatie bevonden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen.
Ten aanzien van de feiten 2 en 5
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 (primair en subsidiair) en 5 ten laste gelegde vanwege het tijdsverloop tussen de ten laste gelegde feiten uit 2020 en het moment van aangifte in 2025. Door het tijdsverloop is de voor de vaststelling van feiten noodzakelijke informatie uitgewist of niet meer beschikbaar. Verder kunnen geen onderzoekshandelingen, waaronder het horen van getuigen, meer uitgevoerd worden, omdat de herinneringen van getuigen en verbalisanten vervagen en getuigen niet meer kunnen worden opgespoord of gehoord. Het voorgaande betekent volgens de verdediging dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
De rechtbank stelt vast de ten laste gelegde feiten 2 en 5 niet zijn verjaard, dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat de verdachte bij het behandelen van de twee feiten tijdens het onderzoek ter terechtzitting wist om welke gebeurtenissen het ging in 2020, zich de situatie met [slachtoffer 1] op 16 augustus 2020 kon herinneren en antwoord heeft kunnen geven op de door de rechtbank gestelde vragen. Verder stelt de rechtbank vast dat de verdediging, hoewel de wet daartoe de mogelijkheid geeft, nimmer onderzoekswensen heeft ingediend teneinde getuigen te horen of nadere onderzoekshandelingen te laten uitvoeren.
Gelet op deze vaststellingen en de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen, ligt het op de weg van de verdediging om met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de procespartijen door het tijdsverloop zodanig zijn belemmerd in de zoektocht naar de feiten en omstandigheden om het bewijs op deugdelijke wijze te controleren en te waarderen, dat de beginselen van een behoorlijke procesorde door het tijdsverloop wezenlijk en onherstelbaar geschonden zijn. Anders dan het standpunt dat de feiten 2 en 5 enige tijd geleden hebben plaatsgevonden, is door de verdediging niets concreets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat de beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro wordt om die reden door de rechtbank verworpen.
Ten aanzien van feit 2 primair
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 16 augustus 2020 te Zoetermeer . Van vol opzet is sprake als verdachte willens en wetens heeft gehandeld, dat wil zeggen dat verdachte heeft gehandeld met de bedoeling [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat sprake was van vol opzet.
Dit neemt niet weg dat verdachte handelingen kan hebben verricht waardoor hij in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarvoor is vereist dat verdachte wetenschap had van die aanmerkelijke kans en ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte meerdere malen [slachtoffer 1] bij de nek/hals heeft gepakt en enige tijd in de nek/hals is blijven knijpen. Dit volgt uit de verklaring van [slachtoffer 1] en het letsel dat door de politie kort na het gebeurde in de hals van [slachtoffer 1] is waargenomen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze werd gewurgd door de verdachte en het voelde alsof de verdachte haar luchtpijp en strottenhoofd uit haar lichaam wilde trekken. [slachtoffer 1] voelde dat ze niet tot nauwelijks kon ademen en het leek alsof er met de seconde meer druk op haar hoofd kwam. Het voelde alsof haar hoofd zou ontploffen. Ze denkt dat de verwurging ongeveer 10 tot 15 seconden heeft geduurd.
De rechtbank is van oordeel dat de kans aanmerkelijk is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Ook het dichtknijpen van de keel gedurende enkele seconden kan leiden tot een zuurstofgebrek, wat kan leiden tot hersenletsel.
De bewezen verklaarde gedragingen zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm ook zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3 primair
Ook ten aanzien van dit feit dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een poging tot zware mishandeling. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat dit niet uit het dossier kan worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de gebruikte bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] .
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] meerdere malen met kracht in het gezicht heeft gestompt, waardoor zij is komen te vallen en ‘out’ is gegaan. De verdachte heeft [slachtoffer 2] vervolgens vastgepakt, aan haar bh omhoog getrokken en over de grond gesleept. Dat de verdachte met kracht heeft geslagen volgt uit het forse letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen en de verklaring van de deskundige. Uit de letselrapportage volgt dat [slachtoffer 2] bloeduitstortingen heeft opgelopen rondom beide ogen, waarbij de bloeduitstorting bij het rechteroog doorloopt tot het jukbeen. Verder zijn er bloeduitstortingen aan de rechterslaap en bij het (voor)hoofd en in de lippen. Ook zijn er diverse huidbeschadigingen in het gezicht en hals aangetroffen. De letsels in het gezicht van [slachtoffer 2] worden verklaard door ten minste drie plaatselijke inwerkingen van uitwendig mechanisch geweld. Het is volgens de deskundigen ook waarschijnlijker dat het letsel in het gezicht is ontstaan door slaan met de gebalde hand dan door een val. Tot slot volgt uit de letselrapportage dat [slachtoffer 2] een eenzijdige kneuzing van de kauwspieren heeft opgelopen, waarvan het herstel maximaal ongeveer zes maanden duurt.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare delen van het menselijk lichaam zijn. Er is een aanmerkelijke kans dat een harde stomp tegen het gezicht of hoofd tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. De bewezen verklaarde gedragingen, te weten [slachtoffer 2] meerdere malen met kracht in het gezicht stompen waardoor zij is komen te vallen, zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 26 april 2025 te Zoetermeer zijn ex-partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meerdere malen in het gezicht te slaan en door aan het haar van genoemde [slachtoffer 1] te trekken (waardoor er een pluk haar is losgekomen);
2
hij op 16 augustus 2020 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen genoemde [slachtoffer 1] bij de nek/hals heeft gepakt en (vervolgens) in de nek/hals heeft geknepen en (enige tijd) is blijven knijpen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 25 januari 2025 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, genoemde [slachtoffer 2] meerdere malen met kracht in het gezicht heeft gestompt (waardoor zij is komen te vallen) en (met kracht) heeft vastgepakt en aan haar
bhomhoog heeft getrokken en over de grond heeft gesleept terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5
hij op 16 augustus 2020 te Zoetermeer zijn (ex)partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meerdere malen in het gezicht te stompen/slaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van de straf en maatregelen

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd. Daarnaast vordert de officier van justitie op grond van artikel 38v Sr een contactverbod met [slachtoffer 1] - met een mogelijkheid voor contact tussen de verdachte en zijn dochter met tussenkomst van de hulpverlening - en [slachtoffer 2] . De officier van justitie heeft ook gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr in de vorm van een locatieverbod voor de adressen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voor iedere overtreding van het contactverbod, is twee weken hechtenis gevorderd met een maximum van zes maanden.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr, aansluitend op het moment dat de tbs-maatregel eindigt.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen tbs-maatregel opgelegd kan worden, vanwege de bepleite vrijspraak van feiten waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Ook indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van deze feiten, heeft de verdediging de rechtbank verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen. Indien de rechtbank wel tot oplegging van een tbs-maatregel komt, heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd en niet de tbs-maatregel met dwangverpleging.
Verder heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest moet worden opgelegd en subsidiair daarnaast een voorwaardelijk strafdeel kan worden opgelegd met bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod, locatieverbod, toezicht door de reclassering en behandeling in een forensische polikliniek.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde contact- en locatieverboden op grond van artikel 38v Sr.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier geweldsdelicten. Op 16 augustus 2020 heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling en poging tot zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer 1] . Daarnaast heeft hij zich op 26 april 2025 wederom schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] . Bij deze mishandeling was hun dochter van vijf jaar oud aanwezig. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [slachtoffer 1] door de geweldshandelingen angstig en depressief is geworden. Ze heeft zowel na de mishandeling en de poging tot zware mishandeling in 2020 als na de mishandeling in 2025 EMDR-therapie gevolgd.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] op 25 januari 2025. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [slachtoffer 2] sinds de geweldshandelingen angstig is, slecht slaapt, zich gespannen voelt, haar concentratie is verminderd en zij zich sneller overprikkeld voelt. Daarnaast heeft zij een litteken bij haar oog overgehouden die haar telkens herinnert aan de geweldshandelingen. [slachtoffer 2] is na de geweldshandelingen gestart met EMDR-behandelingen bij de psycholoog.
Het valt op dat de verdachte keer op keer zonder noemenswaardige aanleiding agressief is geworden en is overgegaan tot zeer grof geweld tegen verschillende vrouwen. Hij heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit. De rechtbank neemt de verdachte dit alles zeer kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 september 2025. De verdachte is veelvuldig veroordeeld voor geweldsfeiten, waarvan het eerste geweldfeit is gepleegd in 2005. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat hij vanaf 2018 vele malen is veroordeeld voor mishandeling van zijn (ex)partner en dat ook in de afgelopen vijf jaren het geweld tegen zijn partner is doorgegaan. Verder constateert de rechtbank dat de verdachte in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Deze straf was opgelegd voor mishandeling van zijn (ex)partner [slachtoffer 1] . De rechtbank weegt het één en ander in strafverzwarende zin mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:
- de Pro Justitia-rapportage van 12 september 2025, opgesteld door GZ-psycholoog drs. [naam 1] ;
- de Pro Justitia-rapportage van 16 september 2025, opgesteld door psychiater dr. [naam 2] ;
- het reclasseringsadvies van 8 oktober 2025, opgesteld door drs. [naam 3] .
De Pro Justitia-rapportages
In de Pro Justitia-rapportage (hierna: PJ-rapportage) van 12 september 2025 concludeert GZ-psycholoog drs. [naam 1] dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De psycholoog adviseert de aan hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Door de antisociale persoonlijkheidsstoornis is de verdachte niet geneigd om risicovolle situaties uit de weg te gaan of hulp te zoeken, kan hij niet goed omgaan met spanningen en is hij beperkt in zijn mogelijkheid om zichzelf af te remmen. Dit leidt tot impulsiviteit en gebrekkige zelfcontrole. Daarnaast remmen gevoelens van schuld of schaamte de verdachte weinig af, aangezien deze vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis beperkt zijn. De psycholoog schat het recidiverisico op korte termijn in als gemiddeld en op (middel)lange termijn in als hoog. In het leven van de verdachte is een patroon zichtbaar van instabiliteit en agressie. De verdachte heeft een beperkt vermogen om naar zichtzelf te kijken, plaatst verantwoordelijkheden veelal buiten zichzelf en gaat behandeling niet aan. Hierdoor blijft het risico op terugval in agressief gedrag onverminderd hoog. De psycholoog adviseert een klinische behandeling gericht op het vergroten van inzicht in zijn persoonlijkheidsstoornis en het uitbreiden van copingvaardigheden. Een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zoals een ambulante behandeling is volgens de psycholoog niet aangewezen, omdat dit geen zoden aan de dijk zet en te vrijblijvend is. Volgens de psycholoog blijft dan het kader van een terbeschikkingstelling over. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft de voorkeur, gezien de flexibiliteit in het creëren van mogelijkheden om tijdens verlof te oefenen en het opbouwen van beschermende factoren. Doordat de verdachte zich niet gemotiveerd toont voor een klinische opname is het wel de vraag in hoeverre een tbs-maatregel met voorwaarden kans van slagen heeft en een omzetting naar een tbs-maatregel met dwangverpleging dreigt. Het direct opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging is ook mogelijk. Dit is wel een meer ingrijpend en minder flexibel kader.
In de PJ-rapportage van 16 september 2025 concludeert de psychiater dr. [naam 2] eveneens dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en concludeert hij dat deze gepaard gaat met een gestoorde regulatie van agressieve impulsen. Als gevolg van de uit de persoonlijkheidsproblematiek voortkomende gestoorde regulatie van agressieve impulsen zal de verdachte in het geval van een bewezenverklaring minder goed in staat zijn geweest om in het geval van conflicten zijn agressie te reguleren. Dit terwijl hij door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis eerder geneigd is om over de grenzen van mensen heen te gaan, waardoor eerder conflicten zullen ontstaan. Vervolgens zal tijdens conflicten eerder een grote boosheid ontstaan die verdachte onvoldoende kan beheersen. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat. De psychiater adviseert bij bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten, deze feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het is ter beperking van het recidivegevaar nodig dat de verdachte behandeling krijgt voor zijn gestoorde regulatie van agressieve impulsen en zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het is daarnaast nodig om tijdens de behandeling ook een forensisch toezicht op te leggen zodat verdachte geholpen kan worden om zijn positieve levensdoelen in de praktijk te brengen en kan worden voorkomen dat hij afglijdt. Derhalve is het advies om de behandeling klinisch te beginnen zodat er een begin kan worden gemaakt met het leren beheersen van agressie, er kan worden gewerkt aan delictscenario's en aan het beheersbaar maken van de sociale problematiek, voordat verdachte terugkeert in de maatschappij. Gezien de ernst van de pathologie, de eerdere pogingen om het gedrag van verdachte bij te sturen, de ernst van het ten laste gelegde en het hoge recidivegevaar adviseert de psychiater de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Volgens de psychiater is namelijk de verwachting dat bij een langdurige klinische behandeling in het kader van tbs met
dwangverplegingook beschermende factoren verloren kunnen gaan, zoals de contacten voor het krijgen van werk of de relatie van de verdachte. De psychiater schrijft dat de verdachte gemotiveerd is voor gedragsverandering en heeft aangegeven te zullen meewerken aan behandeling. Naast de tbs-maatregel adviseert de psychiater om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen zodat het toezicht ook door kan gaan als de tbs-maatregel wordt beëindigd. Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel wordt niet geadviseerd, omdat dan het risico bestaat dat verdachte bij een tenuitvoerlegging onbehandeld terug zal keren in de maatschappij, wat bij de tbs-maatregel met voorwaarden niet zal gebeuren.
Het reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op een reclasseringsadvies over de verdachte van 8 oktober 2025. De reclassering schat het risico op recidive en letsel hoog in. De reclassering adviseert negatief over de tbs-maatregel met voorwaarden. Volgens de reclassering dient er bij de tbs-maatregel met voorwaarden sprake te zijn van enig ziekte-inzicht en bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft tegen de reclassering gezegd dat hij geen agressieprobleem heeft waaraan moet worden gewerkt. Volgens de reclassering geeft de verdachte geen enkele blijk van enige intrinsieke motivatie voor gedragsverandering. Volgens de reclassering moet er een intensieve, langdurende klinische behandeling (FPK) binnen een strikt- en gestructureerd kader zonder tijdsdruk plaatsvinden. De verdachte heeft in het verleden een patroon laten zien van het niet nakomen van afspraken bij De Waag waardoor het niet tot een behandeling is gekomen. Gelet op de weerstand van de verdachte in het verleden, acht de reclassering een stevig kader noodzakelijk om het recidiverisico te beperken.
De reclassering adviseert bij een veroordeling tot tbs of tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
Aanvullende verklaringen van de deskundigen
In de schriftelijke bijdrage van 12 januari 2026 heeft de psycholoog op verzoek van de rechtbank een schriftelijke reactie gegeven op het reclasseringsadvies. De psycholoog schrijft dat een klinische opname noodzakelijk zal zijn vanwege het verhoogde recidiverisico en de kans op een gedragsverandering bij verdachte en het doorbreken van zijn delictpatroon te vergroten. Nu de verdachte in het gesprek met de reclassering verder lijkt te zijn verhard in zijn standpunten ten opzichte van het ten laste gelegde en zijn aandeel hierin, kan de psycholoog zich vinden in de conclusies van de reclassering. Volgens de psycholoog blijft dan de tbs-maatregel met dwangverpleging over.
De psychiater dr. [naam 2] was aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak en heeft dus ook kennis genomen van de verklaringen en houding van de verdachte ter zitting. De psychiater heeft verklaard dat hij motivatie en enig ziektebesef ziet bij de verdachte, maar dat hij door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis dit niet zelf kan oplossen en behandeling nodig heeft. De psychiater staat nog steeds achter zijn eerder opgestelde PJ-rapportage en denkt dat de tbs-maatregel met voorwaarden passend is.
De deskundige die het reclasseringsadvies heeft opgesteld, drs. [naam 3] , was ook aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak. Hij stelt zich op het standpunt dat de tbs-maatregel met dwangverpleging het beste kader is, gelet op het gebrek aan ziektebesef van de verdachte.
De tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank gaat uit van de PJ-rapportages van de psycholoog en de psychiater, aangezien deze conclusies en adviezen worden gedragen door een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing, zodat er geen reden bestaat om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal, conform de PJ-rapportages, de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. De rechtbank is, net als de deskundigen, van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek om zo te voorkomen dat hij nieuwe strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet het kader van de tbs-maatregel als enige passende juridische kader om te waarborgen dat de verdachte die behandeling krijgt.
De rechtbank volgt de deskundigen in hun advies dat een stevig kader nodig is, omdat gebleken is dat de eerdere ambulante behandelinterventies ontoereikend waren voor het verminderen van het recidiverisico. De rechtbank is, alle adviezen afwegend, van oordeel dat het op dit moment het meest passend is om de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, aangezien de rechtbank, anders dan uit de rapportages naar voren leek te komen, op de terechtzitting wel degelijk enig ziektebesef en reflectief vermogen heeft gezien bij de verdachte en hij daar ook heeft verklaard dat hij bereid is om zich aan de voorwaarden van een tbs-maatregel met voorwaarden te houden. Verder is het ten behoeve van het behoud van de beschermende factoren, zoals zijn contacten voor het verkrijgen van werk en de relatie met zijn huidige vriendin met wie de verdachte ook samenwoonde voorafgaande aan de voorlopige hechtenis, van belang om de verdachte de kans te geven om na de klinische opname zijn leven onder diverse voorwaarden en begeleiding van de reclassering te kunnen oppakken.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel. De door de verdachte onder 2 primair (poging tot zware mishandeling) en onder 3 primair (poging tot zware mishandeling) bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven zoals omschreven in artikel 37a, eerste lid, sub 2, Sr waarvoor de maatregel kan worden opgelegd, aangezien op deze misdrijven een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Volgens de PJ-rapportages bestond tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast vereist de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen dat de maatregel wordt opgelegd, aangezien naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een hoog recidiverisico. Ook is voldaan aan de eis van artikel 38, vijfde lid, Sr, nu de verdachte zich ter terechtzitting bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om, zoals de raadsman heeft gesuggereerd, de reclassering alsnog te vragen de aan de tbs-maatregel te stellen voorwaarden te formuleren, nu de rechtbank dat zelf kan.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. De maatregel wordt, gelet op hetgeen de rechtbank hiervóór en in de bewijsmiddelen over de feiten heeft overwogen, opgelegd ter zake van misdrijven die waren gericht tegen en die gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Aan deze maatregel zullen ter bescherming van de veiligheid van anderen door de rechtbank geformuleerde voorwaarden worden verbonden:
geen strafbare feiten plegen;
meewerken aan reclasseringstoezicht;
klinische opname in een zorginstelling;
begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
ambulante behandeling;
meewerken aan middelencontrole;
dagbesteding;
meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind;
niet naar het buitenland (reisverbod);
contactverbod [slachtoffer 1] ;
contactverbod [slachtoffer 2] ;
locatieverbod straat [straatnaam 1] , [postcode 1] te [plaats 2] ;
locatieverbod straat [straatnaam 2] , [postcode 2] te [plaats 2] .
Dadelijke uitvoerbaarheid
In de ernst van de problematiek van de verdachte en het feit dat sprake is van een hoog recidiverisico, ziet de rechtbank aanleiding om conform artikel 38, zesde lid, Sr te bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De 38z-maatregel
Uit de PJ-rapportages volgt dat behandeling noodzakelijk is om gedragsverandering bij de verdachte teweeg te brengen. Er moet rekening mee worden gehouden dat het recidiverisico na afloop van de tbs-maatregel nog niet voldoende is teruggedrongen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het noodzakelijk dat de 38z-maatregel wordt opgelegd in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. De rechtbank stelt verder vast dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte.
De 38v-maatregel
Nu reeds het contactverbod en het locatieverbod in de voorwaarden van de tbs-maatregel met voorwaarden zijn opgenomen, acht de rechtbank het niet opportuun een maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen die bestaat uit dezelfde verboden. Daarom zal de rechtbank niet een artikel 38v-maatregel opleggen.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat er naast de tbs-maatregel met voorwaarden ook een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De ernst van de feiten maakt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, omdat zij in het nadeel van de verdachte de ernst van de feiten en de veroordelingen voor vele geweldsdelicten zwaarder laat wegen.
Indicatiestelling Forensische ZorgDe reclassering heeft nog geen
Indicatiestelling Forensische Zorg aangevraagd. Er is dus nog geen kliniek waar de verdachte kan worden geplaatst. Dat dient alsnog zo spoedig mogelijk te gebeuren,opdat de verdachte na zijn detentie zo snel mogelijk in een kliniek kan worden opgenomen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst vanaf het moment dat de verdachte terecht kan in een kliniek voor klinische behandeling. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs-maatregel zijn verbonden.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

7.1.
De vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.106,95, te vermeerderen met de wettelijke rente (vanaf 16 augustus 2020 over het bedrag van € 1.000,- en vanaf 26 april 2025 over een bedrag van € 1.106,95) en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 106,95 aan materiële schade (fysiotherapie), € 1.000,- aan immateriële schade voor de feiten uit 2020 en € 1.000,- aan immateriële schade voor het feit uit 2025.
7.1.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak voor de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag aan smartengeld moet worden toegekend, omdat hoogstens één van beide feiten bewezen kan worden verklaard. Volgens de verdediging is een bedrag van maximaal € 750,- passend. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit komt, is de materiële post
(€ 106,95 voor fysiotherapie) volgens de verdediging toewijsbaar.
7.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post fysiotherapie (€ 106,95), is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het strafdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is
komen vast te staan dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen als
rechtstreeks gevolg van de onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft nog steeds veel last van angsten en is depressief. De benadeelde partij heeft in 2020 EMDR-therapie gevolgd voor het verwerken van de onder 2 en 5 bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij is sinds 2025 opnieuw in behandeling voor het onder 1 bewezenverklaarde feit en volgt ook EMDR-therapie. De benadeelde partij heeft daarom recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit € 1.000,- aan immateriële schade voor de feiten uit 2020 (onder 2 en 5 bewezenverklaarde feiten) en € 1.000,- aan immateriële schade voor het feit uit 2025 (onder 1 bewezenverklaarde feit). De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, waarin voor minder ernstig geestelijk letsel een bandbreedte staat vermeld van € 2.675,- - € 4.000,-.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.106,95, bestaande uit € 106,95 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 augustus 2020 over een bedrag van € 1.000,- en de wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 april 2025 over een bedrag van € 1.106,95,-, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.106,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2020 over een bedrag van € 1.000,- en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 over een bedrag van € 1.106,95, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] .
7.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 750,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
7.2.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade moet worden geschat op een lager bedrag, aangezien de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde (de bedreiging) en omdat het eigen risico uit 2026 voor EMDR-behandelingen toekomstige schade is waarvoor nog geen nota van de behandelingen beschikbaar is. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden geschat op een bedrag van maximaal € 1.000,-,
7.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post eigen risico 2025, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post eigen risico 2026, is door de verdediging betwist, aangezien het zou gaan om toekomstige schade. De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat de EMDR-behandelingen in 2026 gaan plaatsvinden en de benadeelde partij hierdoor haar eigen risico van 2026 moet gaan betalen. De benadeelde partij is door de huisarts doorverwezen naar een psycholoog voor (het vermoeden van) de Posttraumatische stressstoornis (PTSS). De benadeelde partij is in 2025 gestart met EMDR-behandelingen bij de psycholoog. De EMDR-behandeling gaan in 2026 verder en de psycholoog heeft aangegeven dat de benadeelde partij nog minstens zes behandelingen zal moeten volgen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het strafdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is
komen vast te staan dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit en dat de verdachte ook het oogmerk had om de benadeelde partij dit nadeel toe te brengen. De benadeelde partij heeft daarom recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’ waarin voor geringe littekenvorming in het gezicht een bandbreedte staat vermeld van € 1.000,- - € 2.500,-.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.750,-, bestaande uit € 750,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 2] .

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/024647-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 14 november 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 3 weken gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf toewijzen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd die bij vonnis van 14 november 2024 was vastgesteld, wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten, te weten mishandeling van [slachtoffer 1] , nota bene hetzelfde slachtoffer als bij de veroordeling van mishandeling op 14 november 2024.
De rechtbank is van oordeel dat een vordering tot tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde als uitgangspunt moet worden toegewezen. Er zijn de rechtbank in dit geval geen bijzondere omstandigheden gebleken die tot afwijking van dat uitgangspunt zouden moeten leiden.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 56, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van de feiten 2 en 5:
de voortgezette handeling van
mishandeling
en
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 3:
poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelastter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaardede terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende
voorwaardenbetreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde, namelijk:
dat de terbeschikkinggestelde:
1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:
  • zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
  • ervoor zorgt dat hij te allen tijde bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;
  • meewerkt aan huisbezoeken;
  • de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
  • de reclassering zicht verschaft op de voortgang van zijn resocialisatie en begeleiding en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;
  • geen omgang zal hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en zich open opstelt, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en geen bezwaar heeft dat deze op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend;
3. zich laat opnemen in een klinische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra er een plek is gevonden en duurt zolang de reclassering en de zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling, leefregels van de verblijfsinstelling en plaatsing;
4. aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing,
indien de reclassering dit noodzakelijk acht. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
5. zich aansluitend aan zijn klinische behandeling laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
6. meewerkt aan middelencontrole. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de terbeschikkinggestelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek;
7. zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende- en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en zich houdt aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden;
8. inzage geeft in zijn financiën en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind;
9. zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland zal begeven;
10. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
11. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1995 te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
12. zich niet zal ophouden in de straat [straatnaam 1] , [postcode 1] te [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt;
13. zich niet zal ophouden in de straat [straatnaam 2] , [postcode 2] te [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
de rechtbank herhaalt dat de reclassering nog geen
Indicatiestelling Forensische Zorg heeft aangevraagd.Dat dient alsnog zo spoedig mogelijk te gebeuren, opdat de verdachte na zijn detentie zo snel mogelijk in een kliniek kan worden opgenomen;
schorst het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf het moment dat de verdachte terecht kan in een kliniek voor klinische opname. Aan deze schorsing worden dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor onder 1 tot en met 13 opgenomen bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling;
legt aan de veroordeelde op de
maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr
;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 2.106,95 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2020 over een bedrag van € 1.000,- en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 over een bedrag van € 1.106,95, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald aan [slachtoffer 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1] ;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.106,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2020 over een bedrag van € 1.000,- en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 over een bedrag van
€ 1.106,95, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 21 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 2.750,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2] ;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 27 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 14 november 2024, gewezen onder parketnummer 09/024647-24, te weten
gevangenisstraf voor de duur van drie (3) weken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
mr. J.A. Kramer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2026.