ECLI:NL:RBDHA:2026:10473
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, waaronder het risico op indirect refoulement vanwege het verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Oostenrijk ten aanzien van de Ahmadiyya uit Pakistan. Eiser verwees naar een toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2022.
De rechtbank overweegt dat dit toetsingskader door de Afdeling is verlaten na een arrest van het Hof van Justitie van de EU uit 2023, waarin is bepaald dat binnen een Dublinprocedure niet kan worden getoetst aan het risico op indirect refoulement, tenzij sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvang in de verantwoordelijke lidstaat. De Afdeling heeft in recente uitspraken bevestigd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Oostenrijk geldt.
Eiser heeft geen concrete aanwijzingen voor systeemfouten aangevoerd. Ook het beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening faalt omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn gesteld die de overdracht aan Oostenrijk onevenredig hard maken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister gehandhaafd.