ECLI:NL:RBDHA:2026:10452

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17443
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met Turkse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Hij betwist het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland en stelt dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren te uiten.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt, zoals bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen of dat hij geen adequate rechtsbijstand kan krijgen.

Ook is onvoldoende onderbouwd dat de overdracht aan Duitsland een onevenredige hardheid oplevert op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen en verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17443

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2000 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van mening dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij nauwelijks in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland naar voren te brengen. Volgens eiser is niet doorgevraagd op de relevante feiten en omstandigheden. Eiser stelt dat zijn asielaanvraag in Duitsland is afgewezen en uit deze beslissing blijkt volgens eiser dat hij van de Duitse autoriteiten terug moet keren naar Turkije. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van Duitsland nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in de uitspraak van 14 februari 2025 geoordeeld. [2] Dit betekent dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit anders is. Hierin is eiser niet geslaagd.
6. Wat betreft eisers stelling dat hij in Duitsland niet in staat is gesteld om zijn asielaanvraag met adequate rechtshulp te laten behandelen en om daar met een rechtsbijstandverlener beroep tegen in te stellen, zal eiser zich moeten wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland naar voren te brengen. Eiser heeft niet onderbouwd wat hij door deze manier van horen niet naar voren heeft kunnen brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Ten opzichte van eisers stelling dat hij na overdracht naar Duitsland zal worden teruggestuurd naar Turkije overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU) van 30 november 2023 [5] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [6] kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet aan de orde.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zijn asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. In de stelling van eiser dat hij niet zelfredzaam is en onder behandeling staat van een psychiater, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De conclusie die eiser daaraan verbindt, te weten dat onaannemelijk is dat hij assertief genoeg zal zijn om in Duitsland voor zichzelf op te komen, volgt hier niet zonder meer uit. Daarbij heeft eiser geen enkel stuk overgelegd, dat als onderbouwing hiervoor kan dienen. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023,
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.