ECLI:NL:RBDHA:2026:10450

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17044 en NL26.17045
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, met Somalische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Hij stelt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt, dat hij geen adequate rechtsbijstand kreeg en vreest onmenselijke behandeling bij overdracht.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om aan te tonen dat Duitsland zijn verplichtingen schendt of dat er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Eiser heeft geen objectieve informatie of bewijs overlegd en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen rechtsmiddelen in Duitsland heeft.

Verder kan de rechtbank binnen de Dublinprocedure niet toetsen of indirect refoulement dreigt, tenzij het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt, wat hier niet het geval is. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17044 en NL26.17045
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1998 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser verzoekt hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen ten aanzien van eiser niet is nagekomen. Eiser is van mening dat hij geen adequate voorbereiding op zijn asielprocedure heeft gehad en dat hij zijn relaas niet naar behoren heeft kunnen vertellen. Daarnaast stelt eiser dat hij geen advocaat en middelen had om de kosten van rechtsbijstand te betalen, waardoor hij geen rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag kon instellen. Eiser stelt dat indien hij wordt overgedragen aan Duitsland er sprake is van een reëel risico op onmenselijke dan wel vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest [2] en artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Eiser vermoedt dat hij door de autoriteiten in Duitsland in detentie wordt gesteld en dat zijn nieuwe verzoek om internationale bescherming in Duitsland kansloos is. Tot slot vreest eiser dat Duitsland hem naar land van herkomst zal verwijderen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van Duitsland nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) meermaals in haar uitspraken geoordeeld. [4] Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [5]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. Eiser heeft geen enkel stuk overlegd, waaruit zou moeten blijken dat Duitsland zijn internationale verplichten niet nakomt. Dat eiser in Duitsland problemen heeft ervaren tijdens zijn asielprocedure, heeft hij niet onderbouwd. En voor zover dit het geval is geweest, had het op zijn weg gelegen hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. In het geval eiser meent dat hij door de Duitse autoriteiten ten onrechte in detentie wordt geplaatst, is het aan hem om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Dat eiser geen rechtsbijstand heeft gehad in Duitsland heeft hij niet aannemelijk gemaakt en, voor zover dat aan de orde zou zijn, is het ook in die situatie aan eiser om zich te wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is, dat die onvoldoende dan wel bij voorbaat kansloos is of dat hij geen rechtsbescherming zal krijgen of geholpen zal worden.
7. Ten opzichte van eisers stellingen dat hij na overdracht naar Duitsland zal worden teruggestuurd naar land van herkomst overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [6] en de Afdeling van 12 juni 2024 [7] kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet gebleken. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 5 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
5.Zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
6.Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.