Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank constateert dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder achterstanden in de behandeling van asielaanvragen, en acht een nadere beslistermijn tot uiterlijk 6 juli 2026 redelijk. Hiermee wordt voldaan aan de maximale termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
De rechtbank vernietigt het besluit van verweerder dat gelijkgesteld kan worden aan het niet tijdig nemen van een besluit en draagt verweerder op om uiterlijk op 6 juli 2026 een besluit te nemen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden.
De proceskosten van eiser worden vastgesteld op € 467, bestaande uit een vergoeding voor de rechtsbijstand. De rechtbank verwijst naar het wettelijk kader, waaronder de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht, en benadrukt dat de verlenging van de beslistermijn door verweerder onvoldoende is gemotiveerd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie.