ECLI:NL:RBDHA:2026:10433

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
NL26.22274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1a Vb 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 16 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht zware gronden heeft aangevoerd, namelijk dat eiser zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken en dat hij ondanks intrekking van zijn verblijfsrecht Nederland niet heeft verlaten. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet voor een lichter middel was gekozen en dat de minister onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld. De rechtbank stelt vast dat de minister wel degelijk een individuele afweging heeft gemaakt en dat er geen andere doeltreffende, minder dwingende maatregelen mogelijk waren. Ook is de minister voldoende voortvarend te werk gegaan bij de voorbereiding van de uitzetting.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3b terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, heeft eiser zijn onrechtmatig verblijf niet onmiddellijk gemeld bij de korpschef. Met het besluit van 10 september 2025 (dat – onbetwist – aan eiser is uitgereikt en door hem is ondertekend op 15 oktober 2025) is eisers verblijfsrecht ingetrokken. Hij diende binnen vier weken Nederland te verlaten. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard met dit besluit bekend te zijn. Ook heeft hij tijdens het gehoor verklaard Nederland niet te hebben verlaten, nadat dit besluit aan hem is uitgereikt. [1] Nu eiser zijn onrechtmatig verblijf niet heeft gemeld bij de korpschef, staat vast dat hij zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Dat eiser – zoals hij aanvoert – traceerbaar is omdat hij verblijft in een opvang in [plaats] en er geen concrete aanwijzingen zijn dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken, leidt niet tot een ander oordeel.
Ook is zware grond 3c feitelijk juist, omdat aan eiser het besluit van 10 september 2025 is bekendgemaakt, waarmee zijn verblijfsrecht is ingetrokken en is bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Eiser is desondanks in Nederland gebleven. De rechtbank merkt op dat eisers betoog – dat door de minister ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de redenen waarom eiser nog niet in vertrokken – niet slaagt. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt immers dat expliciet is gevraagd naar de reden waarom eiser Nederland niet heeft verlaten, na uitreiking van het besluit van
10 september 2025. [2] Los hiervan is bij de beoordeling van de vraag of de zware grond 3c aan de maatregel ten grondslag gelegd kon worden niet relevant of sprake is van (het ontbreken van) verwijtbaarheid aan de zijde van eiser. Bepalend is of de grond feitelijk juist is. [3]
1.2.
Zware gronden 3b en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen. [4] De feitelijke juistheid van deze gronden maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen. [5] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor het opleggen van een bewaringsmaatregel. De motivering die is opgenomen in de maatregel van bewaring is standaard en niet toegespitst op eisers individuele situatie. Daarnaast is een maatregel van bewaring een ultimum remedium. Eiser heeft verklaard mee te willen werken aan zijn terugkeer. Ook is de inbewaringstelling minder noodzakelijk, nu eiser een Unieburger is. Uitzetting naar zijn land van herkomst is ook vrij eenvoudig. Er is dan ook sprake van strijdigheid met het subsidiariteitsbeginsel.
2.1.
De rechtbank merkt op dat in de maatregel van bewaring – anders dan eiser lijkt te suggereren – wel een afweging is gemaakt of kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel, die is toegespitst op de individuele situatie van eiser. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor genoemde dragende gronden is er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser heeft ook geen concrete of aantoonbare stappen ondernomen om zijn vertrek naar Letland te realiseren. De enkele stelling dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 21 april 2026 heeft aangegeven mee te willen werken aan zijn vertrek indien zijn vriendin kan meereizen, is daartoe onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat eiser heeft aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan zijn terugkeer naar Letland. [6] Ook heeft eiser tijdens de zitting aangegeven in Nederland te willen blijven, en niet te willen vertrekken naar Letland. Eiser heeft verder ook geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser voert aan dat in het dossier geen concrete informatie staat over het verkrijgen van een reisdocument en wanneer de daadwerkelijke uitzetting zal plaatsvinden.
3.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser is op
16 april 2026 in bewaring gesteld. Op 21 april 2026 vond een vertrekgesprek plaats. Ook is aan het rechtbankdossier een mail van de Dienst Terugkeer en Vertrek toegevoegd, waarin staat dat aan de Letse ambassade is verzocht om de Letse nationaliteit van eiser te bevestigen en of aan hem een grensoverschrijdingsdocument kan worden verstrekt. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat hierop inmiddels mondeling positief is gereageerd. Ook bevindt zich in het rechtbankdossier een vluchtaanvraag van 24 april 2026. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat op 28 april 2026 een vlucht voor eiser is geboekt voor 12 mei 2026. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting heeft gewerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [7]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring, terugkeerbesluit en/of inreisverbod, p. 5.
2.M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring, terugkeerbesluit en/of inreisverbod, p. 5.
3.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
5.Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
6.M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring, terugkeerbesluit en/of inreisverbod, p. 5.
7.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (