In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf van 16 mei 2024. De rechtbank had in een eerdere procedure al bepaald dat de minister binnen acht weken een besluit moest nemen, tenzij nader onderzoek werd ingesteld, waarna een termijn van twintig weken gold. De minister heeft echter niet binnen deze termijnen een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Gezien het tijdsverloop en de eerdere opgelegde termijnen, legt de rechtbank nu een beslistermijn van vier weken op aan de minister, ingaande de dag na deze uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.
De rechtbank wijst het verzoek van eiser om vrijstelling van griffierecht toe en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 233,50, rekening houdend met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.