ECLI:NL:RBDHA:2026:10379
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring na opheffing maatregel afgewezen
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende vreemdeling, was op 26 maart 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel werd op 22 april 2026 opgeheven nadat op 21 april 2026 een besluit op zijn asielaanvraag was genomen. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring tot 7 april 2026 reeds beoordeeld en achtte deze toen rechtmatig. De beoordeling richtte zich nu op de periode na 7 april 2026 tot de opheffing. De rechtbank oordeelde dat de voortzetting van de bewaring tot 22 april 2026 niet onrechtmatig was, mede omdat de minister na het besluit op de asielaanvraag twee dagen heeft om vervolgstappen te nemen en de maatregel binnen één dag werd opgeheven.
Daarnaast bleek uit het dossier dat eiser aansluitend strafrechtelijk werd gedetineerd, waardoor geen sprake was van onrechtmatige bewaring. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.