ECLI:NL:RBDHA:2026:10357
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens verantwoordelijkheid Kroatië
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 17 maart 2026, waarin de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling heeft genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Verzoeker had tevens beroep ingesteld tegen dit besluit.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. dr. E.J. Govaers en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep reeds is beslist.