Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10308

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
09-000807-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 317 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak afpersing en veroordeling mishandeling met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag behandelde op 29 april 2026 de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van afpersing en mishandeling op 3 januari 2026 in Rijswijk. De verdachte had de aangever geslagen en gestompt, waarbij de politie zijn bezit van de telefoon van de aangever constateerde.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van afpersing omdat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat het geweld was toegepast met het oogmerk de telefoon af te dwingen. Er ontbrak een causaal verband tussen het geweld en de afgifte van de telefoon. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte de aangever had mishandeld door hem te slaan en te stompen in het gezicht en hoofd.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar is en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 12 dagen voorarrest in mindering worden gebracht. Van de resterende 18 dagen is een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding. De rechtbank besloot het volwassenenstrafrecht toe te passen, mede op advies van de reclassering, gezien de leeftijd en omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van afpersing en veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf waarvan 18 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-000807-26
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzittingen van 13 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 april 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsman van de verdachte is mr. R.P.A. Kint te Zoetermeer, waarnemend voor mr. S.M. Hoogenraad. De verdachte is op de terechtzitting van 13 april 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 3 januari 2026 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door die [aangever] (meermalen) te stompen/slaan in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of te trappen/schoppen;
2
hij op of omstreeks 3 januari 2026 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] (meermalen) te slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of te trappen/schoppen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Op specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank voorziet tot een bewezenverklaring van feit 1 te komen, verzocht om de aangever als getuige te horen.
3.3
Vrijspraak feit 1
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de inhoud van het dossier en de verklaring van de verdachte ter zitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden. De verdachte kwam de aangever tegen in een park en sprak de aangever aan, omdat de aangever hem nog geld verschuldigd was. Tijdens deze confrontatie heeft de verdachte de aangever bij zijn kraag beetgepakt en hem in het gezicht en tegen het hoofd geslagen en gestompt. Toen de politie ter plaatse arriveerde, troffen zij de verdachte en het slachtoffer samen aan. De verdachte kon zich niet identificeren. De rechtbank gaat uit van de ambtsedige verklaring van de verbalisant en gaat er daarmee van uit dat de politie een identiteitsfouillering heeft toegepast en op dat moment de telefoon van de aangever aantrof in de jaszak van de verdachte.
De verdachte heeft verklaard dat de aangever zijn telefoon aan hem had gegeven om zijn bankafschriften te laten zien. Volgens de verdachte heeft hij de telefoon van de aangever uit schrik of uit gewoonte in zijn zak gedaan toen de politie arriveerde.
Juridisch kader afpersing (in vereniging)
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een feit volgens de delictsomschrijving in artikel 317 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr), afpersing, dient vast komen te staan dat de verdachte, met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, een ander heeft gedwongen iets te doen door toepassing van geweld of door dreiging met geweld.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte de telefoon van de aangever in bezit heeft gekregen en dat hij de telefoon niet op eigen initiatief heeft teruggeven aan de aangever. De telefoon van de aangever is pas bij de identiteitsfouillering van de verdachte door de politie boven water gekomen.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangever heeft geslagen om hem te dwingen tot afgifte van zijn telefoon en dat het door hem toegepaste geweld dus gericht was op het verkrijgen van die telefoon. De rechtbank is van oordeel dat evenmin buiten twijfel kan worden vastgesteld of de aangever daadwerkelijk is gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, of dat de verdachte de telefoon op andere wijze in handen heeft gekregen en vervolgens onder zich heeft gehouden.
De verdachte heeft de aangever geslagen en gestompt, maar het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat die geweldshandelingen tot doel hebben gehad om de aangever zijn telefoon aan de verdachte te laten afgeven. Daarmee ontbreekt het voor bewezenverklaring vereiste causale verband tussen het toegepaste geweld en afgifte (of overname) van de telefoon. Dat betekent dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Deze beslissing brengt mee dat het voorwaardelijke verzoek van de raadsman geen verdere bespreking behoeft.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank zal voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het BVH-nummer DH 2026002731, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 61).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 3 januari 2026 (p. 20-23);
3. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 4 januari 2026 (p. 12-16).
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gehandeld. Het procesdossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het ten laste gelede medeplegen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2
hij op 3 januari 2026 te Rijswijk [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] te slaan
en testompen tegen het gezicht en tegen het hoofd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om een gedeelte van 108 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en daar aan te verbinden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatiegebod met elektronisch toezicht. Ten aanzien van de formulering van de bijzondere voorwaarde met betrekking tot de ambulante behandeling heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat bij een eventuele strafoplegging rekening moet worden gehouden met het feit dat er minder bewezen kan worden verklaard dan door de officier van justitie gevorderd. Daarnaast heeft hij verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Tot slot heeft de raadsman verzocht om geen locatieverbod met elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde aan de verdachte op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling door in een park, op klaarlichte dag, tegen het gezicht en tegen het hoofd van het minderjarige slachtoffer te slaan en te stompen. De verdachte heeft hierdoor pijn en fysiek letsel bij het slachtoffer veroorzaakt.
Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte meent dat dit kennelijk de manier is om een conflict op te lossen. Daarnaast neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij geen enkel oog heeft gehad voor de nietsvermoedende omstanders, waaronder kinderen, die ongewild met het geweld zijn geconfronteerd, en meer in het bijzonder voor de personen die hebben geprobeerd het geweld te stoppen. Aannemelijk is dat ook zij zich, door het agressieve en ongeremde handelen van verdachte, onveilig hebben gevoeld. Dergelijk gedrag is bijzonder verwerpelijk en veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt de verdachte dit alles kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder voor (vergelijkbare) strafbare feiten is veroordeeld. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het plegen van het feit in drie verschillende proeftijden van eerdere veroordelingen. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden hierna opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Fivoor Den Haag (hierna: de reclassering) van 31 maart 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het risico op recidive als gemiddeld wordt geschat. Als voornaamste risicofactoren worden het sociale netwerk en psychosociaal functioneren van de verdachte gezien. De verdachte lijkt weinig weerstand te kunnen bieden aan zijn sociale netwerk. Daarnaast zijn er moeilijkheden in het oplossen van interpersoonlijke problematiek. Dit komt vermoedelijk voort uit een cognitieve achterstand. De verdachte heeft moeite om zichzelf te uiten en kan agressief worden. Ook lijkt er sprake van een laag zelfbeeld, waardoor hij het gevoel krijgt zich te moeten bewijzen tegenover zijn sociale netwerk of anderen. Hoewel de verdachte hierin inzicht aan het ontwikkelen is, is dit een voortdurend proces en is dit nog niet afgerond. Het schorsingstoezicht loopt momenteel goed en de verdachte houdt zich de laatste tijd aan de schorsende voorwaarden. Ook zet hij stappen in de goede richting wat de behandeling betreft. De reclassering vindt het daarom van belang dat de voorwaarden, zoals in het huidige toezicht aan hem zijn opgelegd, worden voortgezet. De reclassering is van mening dat er meer tijd nodig is om de huidige ontwikkeling duurzaam te stabiliseren en daarin continuïteit te kunnen bieden. Hierom adviseert de reclassering bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding, meewerken aan middelencontroles, een locatiegebod en een inspanningsverplichting met betrekking tot dagbesteding. Met deze voorwaarden kan worden voortgebouwd op de reeds bereikte vooruitgang. Deze voorwaarden sluiten bovendien aan op de geïdentificeerde risicofactoren.
Tot slot adviseert de reclassering om de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. De reclassering vindt dat het punitieve karakter van het volwassenstrafrecht beter aansluit bij de verdachte dan het lerende karakter van het jeugdstrafrecht. Daarnaast wordt er geen noodzaak gezien voor de advisering van interventies die enkel binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn. De reclassering heeft twijfels over de pedagogische beïnvloedbaarheid van de verdachte omdat hij, ondanks de lopende hulpverlening en interventies, opnieuw delictgedrag heeft vertoond. Daarbij kan de huidige hulpverlening, zoals de coach en het dagbestedingstraject bij [instantie 1], worden uitgebreid op het moment dat er een veroordeling binnen het volwassenstrafrecht wordt uitgesproken, hetgeen door de reclassering als wenselijk wordt gezien.
De coach van de verdachte, verbonden aan [instantie 1], heeft ter zitting toegelicht dat de verdachte de afgelopen periode een groei heeft doorgemaakt. Hij is rustiger en volwassener geworden en hij is actief bezig met zijn toekomst. De verdachte is op dit moment al in behandeling bij [instantie 2] voor zijn agressieregulatie, psychische problematiek en cognitieve vaardigheden.
Toepassing van het jeugd- of volwassenenstrafrecht?
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 20 jaar oud toen hij het bewezen verklaarde feit pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat het punitieve karakter van het volwassenenstafrecht beter aansluit bij de verdachte en dat er geen noodzaak wordt gezien voor het adviseren van interventies die enkel binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn. Daarnaast bestaan er twijfels over de pedagogische beïnvloedbaarheid van de verdachte. Verder heeft de reclassering toegelicht dat de huidige hulpverlening in het kader van een veroordeling binnen het volwassenenstrafrecht kan worden uitgebreid, wat voor de verdachte wenselijk wordt geacht. De reclassering heeft daarom geadviseerd om de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten.
Gelet op het advies van de reclassering en op het ASR-wegingskader ziet de rechtbank geen doorslaggevende grond voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor volwassenen.
Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat hij al eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank tilt ook zwaar aan het feit dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd tijdens verschillende lopende proeftijden van eerdere veroordelingen.
Daarnaast houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de aard van het toegepaste geweld en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De verdachte heeft zich zeer agressief opgesteld en fors geweld toegepast tegen het slachtoffer, waarbij hij niet uit eigen beweging met het geweld is gestopt, maar door verschillende omstanders moest worden aangesproken. Dat de verdachte door een willekeurige omstander werd aangesproken op zijn gedrag heeft hem er niet van weerhouden om het slachtoffer voor het ogen van die omstander – tot bloedens toe – in het gezicht en tegen het hoofd te slaan en te stompen. Daarbij heeft de verdachte zich tegen de omstanders brutaal en zelfs dreigend opgesteld. Bovendien gebeurde dit incident op klaarlichte dag in de openbare ruimte, een park, waarvan verschillende omstanders, waaronder kleine kinderen, ongewild getuige zijn geworden.
Gezien de aard en ernst van het feit, alsmede het feit dat de verdachte is gerecidiveerd, kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank is van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de straf niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de verdachte van het onder 1 laste gelegde feit wordt vrijgesproken, in afwijking van het standpunt van de officier van justitie.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (12 dagen), passend en geboden vindt. Het resterende gedeelte van de straf (18 dagen) zal voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, en onder de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het locatiegebod met elektronische monitoring. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op de voortzetting van de behandeling en begeleiding, als ook op het vinden en behouden van structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te ontwikkelen en langs die weg ook herhaling kan worden voorkomen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
 14a, 14b, 14c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
mishandeling;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (DERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
door de rechtbank begroot op 12 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte die straf, groot
18 (ACHTTIEN) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
2 (TWEE) jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, waarbij de verdachte zich voor de eerste afspraak meldt binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN 's-Gravenhage;
2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van [instantie 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden;
3. zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
4. gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
5. meewerkt aan de begeleiding door een coach van [instantie 1] of [instantie 3] of een soortgelijke instantie en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, indien en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
geeft opdracht aan GGZ Fivoor Den Haag tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. W.G. de Boer, kinderrechter,
en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.