Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel familie en gezin, zoals bepaald in een eerdere uitspraak van 28 augustus 2025. De rechtbank stelt vast dat de minister de in die uitspraak gestelde beslistermijn van twee weken heeft overschreden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn bevatte. De minister heeft geen verzoek gedaan om een langere beslistermijn en er zijn geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen.
De rechtbank legt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken op, ingaande na verzending van deze uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser, die een professionele gemachtigde inschakelde.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden en is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.