Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
11952107 RL EXPL 25-20850
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering werkneemster tot omzetting tijdelijke arbeidsovereenkomst in vaste aanstelling

Werkneemster trad op 15 juli 2024 in dienst bij de Staat met een tijdelijke arbeidsovereenkomst van één jaar, bedoeld om haar geschiktheid voor de functie van Senior Adviseur te beoordelen. De arbeidsovereenkomst zou bij goed functioneren worden omgezet in een vast contract. Tijdens haar dienstverband werden zowel positieve punten als aandachtspunten in haar functioneren vastgesteld, met name op het gebied van leidinggeven, organisatiesensitiviteit en samenwerking.

In april 2025 ontstonden communicatieproblemen met een coördinator, wat leidde tot een driegesprek. Werkneemster uitte kritiek op de coördinator en stelde in een e-mail aan de directeur dat veiligheidsproblemen niet adequaat werden opgepakt. Haar leidinggevenden wezen haar meerdere malen op verbeterpunten. Op 13 mei 2025 werd haar telefonisch meegedeeld dat haar contract niet zou worden verlengd.

De Geschillencommissie Rijk oordeelde dat de Staat de arbeidsovereenkomst had moeten verlengen, maar de Staat besloot dit advies niet over te nemen. Werkneemster vorderde nakoming van de toezegging tot een vast contract en betaling van salaris vanaf 15 juli 2025. De kantonrechter oordeelde dat de Staat binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid redelijk heeft geoordeeld dat werkneemster niet volledig aan de functiecompetenties voldeed en wees de vorderingen af. Werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering af omdat de Staat redelijk heeft geoordeeld dat werkneemster niet volledig aan de functiecompetenties voldoet.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer: 11952107 \ RL EXPL 25-20850
Vonnis van 12 mei 2026
in de zaak van
[werkneemster],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: werkneemster,
gemachtigde: mr. J.J. Lammers,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, IN DEZE ZAAK VERTEGENWOORDIGD DOOR DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mrs. R. van Vliet en R.B.R. van den Heuvel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 oktober 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de brief van 23 maart 2026 met aanvullende producties van de zijde van werkneemster,
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en namens werkneemster spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Rijkswaterstaat (RWS) is het uitvoerende agentschap van de Staat. Een van de landelijke onderdelen van RWS betreft het organisatieonderdeel Centrale Informatievoorziening (CIV). CIV zorgt voor de ontwikkeling en beschikbaarheid van informatie binnen RWS. Een van de taken die CIV heeft is het waken over de waterkwaliteit in Nederland. Dit gebeurt onder andere door regelmatig de kwaliteit van het water te controleren en dat gebeurt door het RWS Laboratorium.
2.2.
Het RWS Laboratorium bestaat uit vier clusters, die onder eindverantwoordelijkheid staan van een afdelingshoofd. Elke cluster wordt aangestuurd door een teamleider en wordt in de praktijk ondersteund door een clustercoördinator. De werkzaamheden van een clustercoördinator zijn formeel ingedeeld in de functie van Senior Adviseur.
2.3.
Een van de vier clusters betreft [cluster]. Deze cluster heeft meetpontons in [plaats 1] en [plaats 2] .
2.4.
Werkneemster is op 15 juli 2024 in dienst getreden bij de Staat in de functie van (Senior) Adviseur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar. In artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst staat dat deze voor bepaalde tijd is aangegaan om de geschiktheid van werkneemster te beoordelen.
2.5.
De voormalig leidinggevende van werkneemster heeft voorafgaand aan het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst in een mail van 7 maart 2024 aan werkneemster bevestigd dat de aanstelling een contract van één jaar betreft voorafgaand aan een vaste aanstelling bij goed functioneren.
2.6.
De CAO Rijk bepaalt in paragraaf 2.1 dat een tijdelijke arbeidsovereenkomst mogelijk is voor een periode voorafgaand aan een vaste arbeidsovereenkomst om de geschiktheid van een werknemer te beoordelen.
2.7.
Op 19 december 2024 heeft werkneemster een personeelsgesprek met haar leidinggevende. Het algemene beeld dat daarin wordt geschetst is dat werkneemster zich hard heeft ingezet, zeer resultaatgericht is en problemen niet uit de weg gaat. Haar inhoudelijke kennis is prima en verdere inhoudelijke kennisontwikkeling op verschillende analyses is een aandachtspunt. Dit vergt tijd en investering en daar is ruimte voor. De krachten van werkneemster zijn ook haar valkuilen. Ze moet niet te snel conclusies trekken of een oordeel hebben en gaan handelen. Ze moet de ruimte nemen om een vraagstuk van verschillende belangen te benaderen en te onderzoeken. Ze moet de verantwoordelijkheden bij de juiste collega’s laten. Werkneemster kan goed reflecteren op haar handelen en is daarmee een voorbeeld voor collega’s. Op het gebied van kennisinhoud en organisatiesensitiviteit zijn nog stappen mogelijk, maar de focus ligt eerst op de competentie leidinggeven, die gaan over aansturen team, leiderschap en connectie maken. Werkneemster zal via het leerportaal naar relevante trainingen voor functioneel leidinggevenden kijken. De conclusie is dat de prestaties overeenkomstig afspraken/verwachtingen zijn.
2.8.
Op 2 april 2025 vindt op verzoek van de coördinator van het meetstation [plaats 1] een digitaal driegesprek plaats tussen werkneemster, haar leidinggevende [naam 1] en de coördinator. Het verzoek wordt gedaan omdat er communicatieproblemen zijn met werkneemster op het vlak van de inhoud en aansturing. Werkneemster stuurt naar aanleiding van dit gesprek de volgende dag een e-mail naar haar leidinggevende [naam 1] . Daarin schrijft zij onder meer dat ze ongerust is over het ontbreken van respect naar haar toe vanuit de coördinator en dat zij haar toonzetting niet als fatsoenlijk ervaart. Werkneemster ziet de coördinator als iemand met veel emotiedruk. Daarnaast ziet zij dat de coördinator mogelijk door emoties niet in staat is een voorbeeld te onderscheiden van een concreet benoemde gebeurtenis. Waarna werkneemster een opsomming geeft van gebeurtenissen.
2.9.
Op 18 april 2025 stuurt werkneemster een e-mail naar de directeur van onder ander het RWS Laboratorium waarin zij zich op het standpunt stelt dat de veiligheid van bepaalde medewerkers niet kan worden gewaarborgd. Zij schrijft dat na een loopbrugincident in [plaats 2] er een Manufacturer Incident Report-melding (MIR-melding) heeft plaatsgevonden, maar dat daarmee volgens werkneemster niets is gebeurd. In de daarop volgende mailcorrespondentie schrijft werkneemster dat de MIR-melding is afgesloten, omdat de loopbruggen zijn gereviseerd en het risico daarmee is uitgesloten. Verder benoemt zij dat zij beter op haar bewoordingen zal letten, ook in informele berichtgeving.
2.10.
Werkneemster heeft op 12 mei 2025 een gesprek met haar leidinggevenden [naam 2] en [naam 1] . Op 13 mei 2025 deelt [naam 2] aan werkneemster telefonisch mee dat het dienstverband niet wordt voortgezet na 14 juli 2025 en dat een en ander in een vervolggesprek op 5 juni 2025 (na de vakantie van werkneemster) zal worden toegelicht.
2.11.
In een e-mail van 19 mei 2025 vraagt werkneemster aan [naam 2] om een bevestiging dat haar dienstverband niet wordt voortgezet alsmede om de reden daarvan.
2.12.
[naam 2] heeft in een e-mail aan werkneemster van 21 mei 2025 kort de reden gegeven voor het niet aangaan van een vast dienstverband. De ongeschiktheid ligt volgens haar besloten in een samenspel van competenties zoals die ook zijn besproken in het personeelsgesprek. Op basis van de afgelopen maanden is het beeld gevormd dat de competenties onvoldoende tot uiting komen in het werk. Het gaat dan meer in het bijzonder om het samenwerken en over de noodzakelijke organisatie- en bestuurssensitiviteit.
2.13.
Bij brief van 6 juni 2025 is werkneemster aangezegd dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt voortgezet.
2.14.
Op 4 augustus 2025 heeft Geschillencommissie Rijk uitspraak gedaan in een door werkneemster ingediend verzoek. De commissie oordeelt dat het besluit van de Staat, om geen dienstverband voor onbepaalde tijd aan te gaan, niet in stand kan blijven, omdat de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap zijn geschonden.
2.15.
De Staat heeft op 25 augustus 2025 besloten om het advies van de Geschillencommissie niet over te nemen en de arbeidsovereenkomst niet te verlengen.

3.Het geschil

3.1.
Werkneemster vordert - samengevat - de Staat te veroordelen tot nakoming van de toezegging om de tijdelijke arbeidsovereenkomst met ingang van 15 juli 2025 om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast vordert zij om toegelaten te worden tot de overeengekomen werkzaamheden en betaling van het salaris met ingang van 15 juli 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
3.2.
Werkneemster legt aan de vordering ten grondslag dat de Staat zijn toezegging moet nakomen om bij goed functioneren de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd om te zetten naar onbepaalde tijd. Dit volgt uit artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst en paragraaf 2.1 van de CAO Rijk. Dat werkneemster goed functioneerde blijkt onder meer uit:
- de positieve beoordeling van 3 februari 2025 van haar leidinggevende [naam 2] ,
- de accordering in december 2024 van een managementtraining in juli 2025,
- het tot mei 2025 ontbreken van enige documentatie dat werkneemster ongeschikt zou zijn,
- de lovende referenties van collega’s.
De geschiktheid van werkneemster was buiten redelijke twijfel zelfs boven verwachting. De beslissing van de Staat is in strijd met goed werkgeverschap. Ook de Geschillencommissie heeft geadviseerd om een vaste arbeidsovereenkomst aan te bieden. Er is geen enkel signaal gegeven dat het niet goed ging.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkneemster, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van werkneemster in de kosten van deze procedure en de wettelijke rente daarover.
3.4.
De Staat voert aan dat de geschiktheid van werkneemster niet slechts is beoordeeld op basis van haar inzet, betrokkenheid of inhoudelijke kennis, maar expliciet tegen de functie-eisen en competenties die gelden voor de functie van Senior Adviseur. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de Staat om te beslissen of werkneemster voldoende geschikt is voor een functie. De signalen die de Staat heeft ontvangen zijn ook gedeeld met werkneemster, zodat een negatief oordeel niet geheel uit de lucht is komen vallen. De feitenrechter kan de beslissing van de Staat slechts marginaal toetsen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat werkneemster een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had zodat de Staat haar geschiktheid voor de functie kon beoordelen en dat die arbeidsovereenkomst zou worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien zij goed functioneerde. Partijen houdt verdeeld of werkneemster goed heeft gefunctioneerd.
4.2.
In beginsel is een werkgever niet verplicht om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege is geëindigd, te verlengen. Dit kan echter anders zijn wanneer een werknemer uitzicht is geboden op een vaste arbeidsovereenkomst bij gebleken geschiktheid. Daarbij geldt wel dat het aan de werkgever is om te beoordelen of de werknemer geschikt is voor de functie, en of hij voldoende gelegenheid heeft gehad om die geschiktheid te beoordelen. De werkgever heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid. De kantonrechter kan een oordeel van de werkgever over de geschiktheid van de werknemer en/of de mate waarin hij deze geschiktheid heeft kunnen beoordelen en de beslissing om geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, slechts marginaal toetsen aan de hand van de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat werkneemster niet voldoende op niveau functioneerde en zij daarom niet in aanmerking hoefde te komen voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.4.
De reden die de Staat heeft aangevoerd voor het niet voldoen aan de competenties van de functie zien voornamelijk op de wijze van samenwerking en het missen van de noodzakelijke organisatiesensitiviteit en bestuurssensitiviteit. Anders dan werkneemster heeft betoogd kan uit het personeelsgesprek van 19 december 2024 voldoende worden opgemaakt dat inhoudelijke kennisontwikkeling op verschillende analyses een aandachtspunt is en dat werkneemster niet te snel conclusies moet trekken en gaan handelen. Vermeld wordt dat zij daarbij de tijd en ruimte moet nemen om een vraagstuk af te handelen door die van meerdere kanten te bekijken. Verder blijkt uit dat personeelsgesprek dat werkneemster op het gebied van kennisinhoud en organisatiesensitiviteit nog stappen kan maken, maar dat de focus nu eerst op de competentie leidinggeven ligt, waarbij het gaat om het aansturen van het team, leiderschap en connectie maken. Dat is ook de reden dat een managementtraining voor werkneemster in december 2024 is geaccordeerd. In het personeelsgesprek stonden zeker ook positieve punten zoals dat werkneemster zich hard heeft ingezet, zeer resultaatgericht is en problemen niet uit de weg gaat. Ook haar inhoudelijke kennis is op orde en zij kan goed reflecteren op haar handelen en is daarmee een voorbeeld voor collega’s. Maar die positieve punten kunnen de aandachtspunten niet maskeren. Dat de conclusie is dat werkneemster op dat moment presteert overeenkomstig de afspraken is in het licht van de verwachting dat zij (verder) zal groeien in haar rol te begrijpen. Nadien zijn echter diverse momenten geweest waaruit de Staat heeft kunnen concluderen dat zij die groei niet heeft laten zien.
4.4.1.
Zo heeft de coördinator van het meetstation [plaats 1] rechtstreeks bij de leidinggevende van werkneemster melding gemaakt dat de communicatie met werkneemster niet goed verloopt en zij daarom niet meer een-op-een met haar wil zitten. Op 2 april 2025 vindt daarom een driegesprek plaats om de communicatieproblemen op het vlak van de inhoud en aansturing te bespreken. Werkneemster heeft over de ervaren communicatieproblemen verklaard dat ze dit een normale gang van zaken vond omdat het meetstation lange tijd zonder leidinggevende heeft moeten functioneren en de teamleden bang waren overschaduwd te worden en hun autonomie te verliezen. Indien dit de insteek was van het gesprek is niet goed te begrijpen waarom werkneemster de volgende dag een lange mail naar haar leidinggevende stuurt waarin zij (voornamelijk) kritiek uit op het functioneren van de desbetreffende coördinator.
4.4.2.
Op 18 april 2025 stuurt werkneemster een e-mail naar de directeur van onder ander het RWS Laboratorium waarin zij zich op het standpunt stelt dat naar aanleiding van een loopbrugincident er een MIR-melding (Manufacturer Incident Report) is gedaan maar dat daar niets mee is gebeurd en zij zich afvraagt hoe zij de veiligheid van bepaalde medewerkers kan waarborgen. Uit de daarop volgende mailcorrespondentie blijkt dat de MIR-melding wel is opgepakt en is afgesloten omdat de loopbruggen zijn gereviseerd en het risico daarmee is uitgesloten. Werkneemster geeft daarbij toe dat zij beter op haar bewoordingen moet letten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkneemster hierover verklaard dat zij dit heeft laten escaleren richting de directeur in overleg met het Management Team (MT). Verder zou dit slechts een fragment zijn uit een veiligheidsproces dat vier maanden heeft geduurd. De Staat heeft, middels de leidinggevende [naam 1] die in het MT zit, betwist dat in het MT is besproken de boel te laten escaleren.
4.4.3.
Tot slot heeft werkneemster niet bestreden dat zij in bilaterale overleggen met leidinggevende [naam 2] meermalen is gewezen op punten die verbetering behoefden. Dat zij daaruit niet een signaal heeft ontvangen dat het einde van de arbeidsovereenkomst in zicht kwam doet daaraan niets af. Zij was in ieder geval op de hoogte dat de Staat nog niet tevreden was over haar functioneren. De gestelde lovende referenties van collega’s doen niets af aan de hiervoor erkende verbeterpunten die besproken zijn. Zoals al eerder vastgesteld had werkneemster immers ook goede kwaliteiten.
4.5.
De conclusie uit het voorgaande is dat de Staat binnen de ruime beoordelingsvrijheid die hij heeft in redelijkheid heeft kunnen beslissen werkneemster geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Genoegzaam is gebleken dat werkneemster niet (volledig) aan de competenties voldoet die noodzakelijk zijn voor de functie van Senior Adviseur. Dat de Staat gedurende het traject wellicht duidelijker had kunnen zijn richting werkneemster maakt nog niet dat de Staat in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. Anders dan de Geschillencommissie Rijk heeft overwogen is het niet noodzakelijk is dat per competentie exact wordt aangegeven wat verbeterd moet worden. Evenmin hoeft er een traject uitgezet te worden om dat te monitoren. Die eisen volgen niet uit de jurisprudentie die zien op een geval als het onderhavige. Bovendien zijn er wel degelijk signalen geweest en die zijn ook voor 12 mei 2025 gedeeld met werkneemster. Zij heeft die alleen anders geïnterpreteerd, althans niet zodanig dat een verlenging van de arbeidsovereenkomst op het spel stond. De vorderingen van werkneemster zullen daarom worden afgewezen.
4.6.
Werkneemster is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van werkneemster af,
5.2.
veroordeelt werkneemster in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werkneemster niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt werkneemster tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.