Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/09/695844 / FA RK 25-9289
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 WvggzArt. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aansluitende zorgmachtiging op grond van Wvggz wegens gebrek aan proportionaliteit en doelmatigheid

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene. Het verzoek werd ingediend op 10 december 2025 en betrof een nieuwe machtiging aansluitend op een eerdere zorgmachtiging die liep van juni tot december 2025.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de onafhankelijk psychiater aanvankelijk niet aan de inspanningsverplichting had voldaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken, maar dat dit later wel was gebeurd tijdens een klinische opname. Betrokkene heeft meerdere wrakingsverzoeken ingediend en is niet verschenen bij diverse zittingen, ondanks oproepen en bijstand van advocaten.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend en ontvankelijk was. De door betrokkene voorgestelde deskundigen werden niet opgeroepen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat vrijwillige zorg niet effectief was gebleken, omdat betrokkene zich aan zorg onttrok en medicatie niet innam.

De rechtbank stelde vast dat het verzoek niet proportioneel was, omdat het ernstig nadeel onvoldoende concreet was onderbouwd en er geen sprake was van maatschappelijke teloorgang. Ook was de zorgmachtiging niet doelmatig gebleken, aangezien de zorginstelling onvoldoende gebruik had gemaakt van de mogelijkheden, zoals het instellen op een depotmedicatie. De crisismaatregelen bleken effectiever voor stabilisatie.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot aansluitende zorgmachtiging af wegens het ontbreken van proportionaliteit en doelmatigheid.

Uitkomst: Het verzoek tot aansluitende zorgmachtiging is afgewezen wegens het ontbreken van proportionaliteit en doelmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/695844 / FA RK 25-9289
Datum beschikking: 26 maart 2026

Afwijzing aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene],

hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], [geboorteland],
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. B.F. van Es te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 december 2025, heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 7 december 2025 ondertekende medische verklaring van [naam 1], psychiater, die die niet bij de behandeling betrokken was;
- een niet ingevulde zorgkaart;
- een zorgplan van 7 november 2025;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 8 december 2025;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een afschrift van de politiemutaties.
Daarbij heeft de rechtbank de volgende aanvullende stukken ontvangen:
- een op 15 januari 2026 ondertekende aanvullende medische verklaring van [naam 2];
- een op 19 maart 2026 ondertekende aanvullende medische verklaring van [naam 3], psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een aanvullend zorgplan van 19 maart 2026;
- een eigen plan van aanpak van 16 oktober 2025;
- een signalering interventie plan van 17 september 2025;
-een herstelplan van 21 augustus 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek was aanvankelijk bepaald op 23 december 2025. Op deze datum is de behandeling van het verzoek, nadat de rechtbank heeft geconstateerd dat betrokkene en haar advocaat niet waren verschenen, aangehouden om betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog te worden gehoord. Daarbij constateerde de rechtbank dat betrokkene niet in persoon was onderzocht door de onafhankelijk psychiater voor het opstellen van de medische verklaring. De beslistermijn is verlengd met drie weken in afwachting van een aanvullende medische verklaring, teneinde de onafhankelijke psychiater een nieuwe poging te laten doen om betrokkene alsnog in persoon te onderzoeken.
Van de zitting van 23 december 2025 is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 8 januari 2026 heeft betrokkene een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. Hierdoor kon de zitting van 16 januari 2026 geen doorgang vinden.
Op 26 januari 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van 8 januari 2026 afgewezen en bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Op 6 februari 2026 heeft [zorginstantie] schriftelijk aan de rechtbank laten weten dat zij van mening zijn dat zij hebben voldaan aan de inspanningsverplichting van de onafhankelijke psychiater ten tijde van het opstellen van de aanvullende medische verklaring van 15 januari 2026. De onafhankelijk psychiater heeft geprobeerd betrokkene voor het opstellen van de aanvullende medische verklaring bij haar thuis te bezoeken voor het persoonlijk onderzoek. Bij het huisbezoek van 14 januari 2026 is betrokkene niet aangetroffen in haar woning.
Op 9 februari 2026 heeft [zorginstantie] schriftelijk aan de rechtbank medegedeeld dat betrokkene met een crisismaatregel is opgenomen. De geagendeerde zitting van 10 februari 2026 op de rechtbank betreffende het verzoek voor een zorgmachtiging kon hierdoor geen doorgang vinden.
Op 12 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek in de instelling waar betrokkene was opgenomen alsnog doorgang gevonden.
Tijdens deze zitting heeft betrokkene de rechter opnieuw gewraakt. Conform het wrakingsprotocol is de zitting voor wat betreft de zorgmachtiging voor de tweede maal geschorst.
Van de zitting van 12 februari 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 9 maart 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van 12 februari 2026 afgewezen en opnieuw bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Op 19 maart 2026 is het verzoekschrift d.d. 9 december 2025 gelijktijdig behandeld met de (nieuwe) aanvraag voor een zorgmachtiging d.d. 3 maart 2026 (zaaknummer 700771). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake was van een onvolledig dossier. Beide verzoeken zijn aangehouden in afwachting van een aanvullende medische verklaring, een actueel zorgplan en overige aanvullende stukken vanuit de advocaat.
Van de zitting van 19 maart 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 24 maart 2026 is de mondelinge behandeling van onderhevig verzoek en de aanvraag voor een zorgmachtiging d.d. 3 maart 2026 (zaaknummer 700771) voortgezet. Zeer kort voorafgaand aan de zitting heeft betrokkene via haar advocaat laten weten deze te hebben ontslagen in de procedures betreffende de zorgmachtiging.
Tijdens de zitting heeft betrokkene de rechter opnieuw gewraakt.
Conform het wrakingsprotocol is het verzoek tot de aanvraag van een zorgmachtiging d.d. 3 maart 2026 (zaaknummer 700771) geschorst.
Aangezien betrokkene de rechter op 12 februari 2026 op dezelfde gronden heeft gewraakt, is de behandeling ter zitting van de aanvraag voor een zorgmachtiging d.d. 9 december 2025 (zaaknummer 695844) wel voortgezet.
Tijdens deze zitting heeft de rechter zowel de klinische als de ambulante behandelaren in de gelegenheid gesteld om hun standpunt naar voren te brengen.
Ook betrokkene zelf heeft eveneens haar visie gegeven en verweer gevoerd.
Aangezien betrokkene tijdens de mondelinge behandeling echter niet langer werd bijgestaan door een advocaat, is haar een laatste kans geboden zich op 26 maart 2026 te laten horen op de rechtbank met bijstand van een (nieuwe) advocaat. Op verzoek van betrokkene, die te kennen gaf zelf geen andere advocaat bereid te kunnen vinden om aan haar rechtsbijstand te geven, heeft de rechtbank gezorgd voor een nieuwe advocaat, die de behandeling van deze zaak heeft overgenomen van de eerdere advocaat.
Van de zitting van 24 maart 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 26 maart 2026. Daarbij is gehoord:
- de advocaat van betrokkene.
Betrokkene is zelf niet ter zitting verschenen. Om betrokkene in de gelegenheid te stellen te worden gehoord over onderhavig verzoek, heeft de rechtbank haar opgeroepen voor de zitting en heeft de rechtbank betrokkene op de zitting van 24 maart 2026 zowel mondeling als schriftelijk medegedeeld dat de behandeling zal worden voortgezet op 26 maart 2026. Daarbij is betrokkene ook door haar advocaat op de hoogte gebracht van de zitting.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen op 26 maart 2026. Betrokkene heeft bij haar advocaat aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. De mondelinge behandeling heeft daarom zonder aanwezigheid van betrokkene plaatsgevonden.
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

De advocaat heeft ter zitting een pleitnota overhandigd aan de rechtbank waarin de gevoerde verweren nader worden toegelicht en juridisch zijn onderbouwd. Betrokkene heeft aan haar advocaat laten weten dat zij vandaag niet op de rechtbank zal verschijnen. De advocaat verzoekt namens betrokkene om afwijzing van het verzoek.

Beoordeling

Preliminair verweer
Betrokkene stelt in haar preliminaire verweer dat het verzoekschrift niet tijdig is ingediend en dat de officier van justitie tijdens de aanvraag van de zorgmachtiging niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidsverplichting. Op de zitting van 12 februari 2026 is de officier van justitie op verzoek van betrokkene opgeroepen en in de gelegenheid gesteld om toelichting te geven op dit verweer. Tijdens voorgenoemde zitting heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het verzoek voor het verlenen van een zorgmachtiging tijdig is ingediend, namelijk op 9 december 2025. Gelet op de tijdige indiening van het verzoek stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van niet-ontvankelijkheid aan de kant van de officier van justitie. Voor het overige is niet gebleken de aanwezigheid van de officier van justitie noodzakelijk is om het verzoek nader toe te lichten.
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in het verzoek. De rechtbank overweegt hierbij dat de behandeling van het destijds ingediende verzoek heeft plaatsgevonden na afloop van de wettelijke beslistermijn van drie weken zoals bepaald in artikel 6:2 lid 1 aanhef Pro en onder a Wvgzz. Deze overschrijding is ter herleiden tot de aanhouding van de zitting op 23 december 2025 door de afwezigheid van betrokkene en haar advocaat, de wrakingsverzoeken van 8 januari 2026 en 12 februari 2026, alsmede de aanhouding van het verzoek op 19 maart 2026 in afwachting van aanvullende stukken. In de Wvggz is aan de niet-naleving van de beslistermijn dan wel het verstrijken van de vorige zorgmachtiging niet het rechtgevolg verbonden van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging, noch van de verplichting tot afwijzing van het verzoek. Het huidige verzoek ziet op een aansluitende zorgmachtiging en betreft daarmee een nieuwe machtiging in aansluiting op de vorige machtiging. Daarbij stelt de rechtbank vast dat betrokkene het verzoek op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie onvoldoende heeft onderbouwd.
Inspanningen onafhankelijk psychiater
De rechtbank heeft op de zitting van 23 december 2025 vastgesteld dat er niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor het opstellen van de medische verklaring van 7 december 2025. Er is op drie momenten getracht om betrokkene in persoon te beoordelen door haar (mondeling en schriftelijk) uit te nodigen voor een gesprek. Betrokkene is op deze uitnodigingen niet ingegaan.
Vervolgens is er door de psychiater geen poging gedaan om betrokkene alsnog in persoon te spreken middels een huisbezoek. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat de onafhankelijk psychiater niet de inspanningen heeft verricht die van hem redelijkerwijs kunnen worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Op de zitting van 23 december heeft de rechtbank de beslistermijn met drie weken verlengd in afwachting van een aanvullende medische verklaring waarin er wel aan de inspanningsverplichting was voldaan.
Op 15 januari 2026 heeft de onafhankelijk psychiater, mevrouw [naam 4], middels een aanvullende medische verklaring laten weten getracht te hebben betrokkene op 14 januari 2026 in haar woning te onderzoeken. Betrokkene is deze dag niet aangetroffen in haar woning. De onafhankelijk psychiater onderschrijft de bevindingen van de psychiater van 7 december 2025. Tijdens de zitting van 19 maart 2026 is de inhoudelijke behandeling van het verzoek aangehouden in afwachting van een aanvullende medische verklaring waarbij betrokkene in persoon was onderzocht door een onafhankelijk psychiater. Tijdens de klinische opname kon betrokkene immers wel persoonlijk worden onderzocht, waardoor er een aanvullende verklaring gegeven kon worden. De klinisch psychiater heeft ter zitting gezegd er alles aan te zullen doen betrokkene dezelfde dag nog in persoon te laten beoordelen.
Op 19 maart 2026 is betrokkene in persoon onderzocht door de psychiater [naam 3]. Deze aanvullende medische verklaring is voorafgaand aan de zitting van 24 maart 2026 overlegd aan de rechtbank, betrokkene en haar advocaat. Uit de aanvullende medische verklaring blijkt dat betrokkene in persoon is onderzocht door deze onafhankelijk psychiater. Gelet op voorgaande stelt de rechtbank vast dat er wel is voldaan aan de wettelijke inspanningsverplichting vanuit de onafhankelijk psychiater.
Oproepen getuigendeskundigen en verzoek om second opinion
De door betrokkene voorgestelde deskundigen zijn door de rechtbank niet opgeroepen, nu de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht. Daarbij heeft betrokkene het verzoek tot oproepen van de voorgestelde deskundigen onvoldoende onderbouwd.
Tijdens de procedure heeft betrokkene bovendien zelf eerder al schriftelijke stukken aangeleverd waarin zowel haar huisarts en de therapeut mevrouw [naam 5] een toelichting hebben gegeven. Deze stukken zijn door de rechtbank aan het dossier toegevoegd.
De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd en acht een verdere toelichting van hun zijde niet nodig om tot een beslissing te kunnen komen.
Ten aanzien van het verzoek tot een second opinion merkt de rechtbank op dat betrokkene het verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Betrokkene is in de afgelopen jaren vele malen opgenomen geweest middels een crisismaatregel. Bij opnames is betrokkene veelvuldig beoordeeld door verscheidene onafhankelijk psychiaters. In de medische verklaringen van de afgelopen jaren wordt de eerder gestelde diagnose steeds onderschreven. De rechtbank ziet hierom geen noodzaak om een second opinion in te winnen.
Vrijwilligheid
De advocaat van betrokkene stelt in de pleitnota van 26 maart 2026 dat de vrijwillige zorg niet uitputtend is beproefd. Betrokkene neemt actief deel aan een vrijwillig ambulant traject bij een transcultureel psycholoog mevrouw [naam 5]. Daarbij heeft betrokkene op 7 oktober 2025 een eigen plan van aanpak opgesteld. Op grond van het plan van aanpak stelt betrokkene dat zij niet alle zorg weigert, maar alleen de medicamenteuze behandeling zou weigeren vanwege de ernstige bijwerkingen.
Uit de overlegde stukken en hetgeen ter zittingen is besproken blijkt dat het de afgelopen jaren niet mogelijk is gebleken om betrokkene binnen het vrijwillig kader goed in zorg te krijgen. Er is geen behandelrelatie tot stand gekomen, ondanks de inspanningen daartoe van de ambulante behandelaren. Betrokkene onttrekt zich aan de aangeboden zorg en verschijnt vaak niet op afspraken.
Door de klinisch behandelaar is ter zitting gesteld dat zij thuis de voorgeschreven medicatie niet heeft gebruikt. De ambulante behandelaren hadden daarop zelf geen zicht.
De rechtbank stelt vast dat er geen mogelijkheden zijn om de zorg op vrijwillige basis vorm te geven op een adequate wijze die betrokkene beter zou stabiliseren en de vele opnames ten gevolge van ontregeling voorkomen, waardoor de kwaliteit van leven voor betrokkene zou kunnen toenemen.
Proportionaliteit
De rechtbank overweegt dat de wetgever het belang van zorg op maat benadrukt. Dit betekent dat de interventies enerzijds de vrijheid van betrokkene niet verder mogen beperken dan noodzakelijk is, maar tegelijkertijd ook afdoende moeten zijn om het ernstig nadeel af te wenden. Daarbij mag verplichte zorg alleen worden ingezet als ultimum remedium.
Uit de overlegde stukken van de officier van justitie blijkt dat betrokkene in de periode voorafgaand aan de aanvraag van de zorgmachtiging tweemaal in beeld is gekomen bij de politie, namelijk op 29 augustus 2025 wegens verwardheid op het politiebureau en 1 september 2025 wegens verwardheid en overlast in een Jumbo supermarkt.
Uit de politiemutaties blijkt niet dat betrokkene overlast veroorzaakt in haar woonomgeving, hetgeen wel wordt gesteld in de medische verklaring. Daarbij beschikt de rechtbank niet over concrete informatie vanuit het wijkteam of de wijkagent over de ervaren overlast door buurtgenoten of anderszins. De Officier van Justitie heeft ter zitting hieromtrent evenmin concrete informatie verstrekt. Gelet op het voorgaande is het gestelde ernstig nadeel op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd met concrete voorbeelden. Uit het dossier blijkt voorts onvoldoende dat er sprake is van maatschappelijke teloorgang van betrokkene. Zij heeft een woning en een inkomen. Er is niet gesteld dat een woninguitzetting dreigt of dat anderszins betrokkene teloor dreigt te gaan.
De in de stukken gestelde verslechtering van de prognose ten aanzien van de behandeling van de stoornis had zich al voltrokken door de langdurige onderbehandeling ten gevolge van het niet meewerken door betrokkene aan de (medicamenteuze) behandeling. Tevens heeft de klinisch psychiater op de zitting van 24 maart 2026 naar voren gebracht dat het toestandsbeeld niet is verslechterd sinds betrokkene niet langer in zorg is binnen het verplichte kader.
Betrokkene is al jaren bekend bij de ggz-behandelaren met veelvuldige ontregeling, waarna een opname middels een crisismaatregel volgt.
Bij opname ten tijde van een manische ontregeling wordt betrokkene met een crisismaatregel persoonlijk onderzocht, kortstondig opgenomen en krijgt zij dagelijks medicatie onder dwang toegediend. Hierdoor stabiliseert het toestandsbeeld snel en kan betrokkene relatief snel met ontslag, doorgaans binnen een week. Bij opname middels een crisismaatregel wordt betrokkene beoordeeld door een onafhankelijk psychiater op de psychiatrische eerste hulp. Gelet op voorgenoemde handelswijze bij de crisismaatregel wordt de vrijheid van betrokkene niet verder beperkt dan stikt noodzakelijk en is deze kortdurende crisismaatregel afdoende om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel af te wenden.
Doelmatigheid
Indien verplichte zorg niet leidt tot het beoogde doel, is er geen sprake van doelmatige zorg en dient er naar alternatieven te worden gezocht. Voorafgaand aan de periode van de huidige aanvraag, heeft betrokkene een zorgmachtiging gehad van 11 juni 2025 tot en met 11 december 2025. De ambulant psychiater heeft tijdens de zitting van 24 maart 2026 naar voren gebracht dat betrokkene onder de zorgmachtiging evenmin goed in zorg is gekomen bij de zorginstelling ondanks hun inspanningen daartoe.
Het wijkteam heeft de medicatieafgifte gedurende de looptijd van de zorgmachtiging via de huisarts laten verlopen en niet in eigen beheer genomen. Betrokkene heeft de zorginstelling geen toestemming gegeven voor overleg met haar huisarts. Hierdoor is er geen toezicht geweest op het wel of niet oraal innemen van de voorgeschreven medicatie door betrokkene.
De klinisch behandelaar meent dat de voorgeschreven medicatie door betrokkene thuis niet is ingenomen. Daarbij heeft de klinisch psychiater op de zitting van 12 februari 2026 aangegeven dat de zorgmachtiging alleen doelmatig is indien betrokkene zou worden ingesteld op een depot.
De zorginstelling heeft er evenwel niet voor gekozen om betrokkene onder dwang in te stellen op een depot, terwijl hier wel tijdens de klinische opname de mogelijkheid toe heeft bestaan.
De ambulant psychiater heeft tijdens de zitting van 24 maart 2026 naar voren gebracht dat zij opnieuw het gesprek met betrokkene en haar familie aan wil gaan om de mogelijkheid tot medewerking van betrokkene aan het instellen op een depot te bespreken. In het verleden is betrokkene langere tijd stabiel geweest toen zij was ingesteld op een depot.
De verwachting is gerechtvaardigd dat betrokkene gezien haar felle en consistente verzet hier niet aan mee wil werken. De zorgmachtiging voor 6 maanden in 2025 heeft de ontregelingen en kortstondige opnames niet kunnen voorkomen, terwijl dit wel het voornaamste doel was van de zorgmachtiging. Deze zorgmachtiging was dus in de praktijk niet doelmatig, mede vanwege het niet instellen op een depot en ook het ontbreken van toezicht op de orale inname van de voorgeschreven medicatie, terwijl de crisisopnames wel doelmatig zijn gebleken voor een snelle stabilisering van het manische toestandsbeeld onder meer middels dwangmedicatie tijdens de klinische opname, waarna snel weer ontslag volgt.

Overweging

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er niet is voldaan aan de vereisten voor toewijzing van het verzoek tot aansluitende zorgmachtiging en komt daarom tot een afwijzing van het verzoek. Het verzoek tot aansluitende zorgmachtiging is niet proportioneel en niet doelmatig. Ondanks de mogelijkheid tot inzet van verplichte zorg heeft de zorginstelling hier in het najaar van 2025 geen of onvoldoende gebruik van gemaakt. Ook is gebleken dat de aanwezigheid van een zorgmachtiging niet bij heeft bijgedragen aan de beoogde stabilisatie van het toestandsbeeld of het tot stand komen van een behandelrelatie.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door P.S.R. Nieman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.