Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10291

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
09-164860-24, 09-229015-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor medeplegen voorbereidingshandelingen explosie en bezit IED

De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een verdachte geboren in 2006. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een explosie met gevaar voor goederen en personen, en het medeplegen van het voorhanden hebben van een Improvised Explosive Device (IED).

De feiten vonden plaats op 16 mei 2024, toen de verdachte samen met een medeverdachte werd aangehouden terwijl zij op een fatbike reden, gekleed in zwarte kleding met gezichtsbedekking. De medeverdachte gooide een pakket met een explosief weg, dat later door de politie werd aangetroffen. Uit bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, Snapchat-berichten en een deskundigenrapport van het NFI, bleek dat het explosief bestemd was voor ontploffing en dat de verdachte en medeverdachte nauw samenwerkten.

De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte tot 60 dagen jeugddetentie, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de positieve persoonlijke ontwikkelingen van de verdachte, en een overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke werkstraf wegens niet-naleving van voorwaarden ten uitvoer gelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 dagen jeugddetentie, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, voor medeplegen van voorbereidingshandelingen tot explosie en bezit van een IED.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-164860-24 en 09-229015-22 (tul)
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 13 april 2026 (inhoudelijk) en 15 april 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. S. van Dongen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. J. Grabowsky te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 13 april 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het medeplegen van de in artikel 157 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafecht omschreven brandstichting en/of ontploffing ten aanzien van één of meer (vooralsnog) onbekend gebleven objecten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een doos met daarin een plastic zak bevattende (ongeveer 400 gram) flitspoeder en/of een (vlucht)scooter (fatbike) en/of het dragen van gezichtsbedekkende kleding, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Improvised Explosive Device (IED) (bestaande uit een rechthoekig pakket omwikkeld met DUCT-tape met uit één hoek een vuurwerklont stekende, en bevattende ongeveer 300 gr flitspoeder), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsbeslissing
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft met betrekking vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde en zich met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
Feit 1
De rechtbank heeft voor feit 1 in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Feit 2
De rechtbank zal voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024153664, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 126).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 16 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 47-50);
3. Het geschrift, te weten een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, op 27 september 2024 opgemaakt en ondertekend door deskundige dr. J. Dalmolen, voor zover inhoudende (p. 115-126).
3.4
Bewijsoverwegingen feit 1
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte en/of de medeverdachte de bedoeling had om met het zelfgemaakte explosief brand te stichten of een ontploffing te veroorzaken.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing en/of stichten van een brand en het medeplegen van het voorhanden hebben van een explosief. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat op 16 mei 2024 om 01.01 uur via Snapchat contact is geweest tussen de gebruikers ' [account 1] ' en ' [account 2] '. De politie concludeert op basis van meerdere foto’s en video’s van de verdachte in de Snapchatgalerij van het account ' [account 1] ' dat hij de gebruiker is van dit account. De politie stelt voorts vast dat het Snapchataccount ' [account 2] ' aan medeverdachte [medeverdachte] toebehoort. Tijdens het Snapchatgesprek wordt de afspraak gemaakt dat de verdachte medeverdachte [medeverdachte] bij hem thuis aan de [adres 2] komt ophalen. Uit de belgeschiedenis van de telefoon van de verdachte blijkt voorts dat er om 01.24 uur telefonisch contact is tussen de verdachte en een contact, opgeslagen als [medeverdachte] .
Omstreeks 02.35 uur trof de politie de twee verdachten aan op een fatbike, terwijl zij met een opvallend hoge snelheid en zonder duidelijke verlichting reden. Beide verdachten waren geheel in het zwart gekleed en droegen gezichtsbedekking. Toen het politievoertuig naast de verdachten kwam rijden, gedroegen zij zich gespannen, vertoonden zij onrustig gedrag en begonnen zij onderling met elkaar te communiceren. De verdachten werd drie keer aangeroepen om te stoppen, maar hier werd geen gehoor aan gegeven. Vervolgens gooide medeverdachte [medeverdachte] , die achterop de fatbike zat, een vierkant zwart voorwerp, verpakt in een doorzichtige plastic zak, ter hoogte van een pand van de [bedrijf] op de grond. Pas toen een van de verbalisanten een stroomstootwapen ter hand nam, werd de fatbike door de verdachte, die de fatbike bestuurde, tot stilstand gebracht. Na de staandehouding van de verdachten keerde een van de verbalisanten terug naar de plek waar het voorwerp op de grond was gegooid. Daar werd een explosief, verpakt in een plastic zak, aangetroffen. De plastic zak en het explosief waren droog, terwijl het fietspad en de directe omgeving nat waren door de regen die gevallen was.
Het aangetroffen pakket betrof een zelfgemaakt explosief, een zogenoemd Improvised Explosive Device (IED). Dit is een voorwerp dat is bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur en/of door middel van ontploffing. Een alternatieve toepassing is er niet. Het voorwerp is daarmee een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie. Van het explosief is naar algemene ervaringsregels gevaar voor personen en/of goederen bij ontploffing te duchten, hetgeen bevestigd wordt in de rapportage van het onderzoek van het explosief door het NFI.
De verdachte heeft bij de politie verklaard en ter zitting bevestigd dat medeverdachte [medeverdachte] een zwart pakket bij zich had en dat hij [medeverdachte] heeft horen zeggen dat dit een explosief was. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat het de bedoeling was om het explosief tot ontploffing te brengen en heeft hij ter zitting bevestigd dat het zijn bedoeling was om, als de politie hen niet had gestopt, met medeverdachte [medeverdachte] mee daar naartoe te gaan.
De rechtbank is, gelet op het concrete samenstel van feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, (het afspreken om midden in de nacht samen op pad te gaan, het dragen van zwarte kleding en gezichtsbedekking, het rijden op een fatbike met een opvallend hoge snelheid en zonder duidelijke verlichting, het drie keer negeren van een stopteken, de nerveuze en gespannen houding van de verdachten, het onderlinge contact tussen beiden tijdens het negeren van de stoptekens, het weggooien van het pakket door de medeverdachte na het onderlinge contact, het aantreffen van het explosief op de plek waar het pakket door de medeverdachte werd neergegooid en de verklaring van de verdachte over de aanwezigheid van het pakket) van oordeel dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing en het voorhanden hebben van een explosief en dat zij hierbij nauw en bewust hebben samengewerkt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de voorbereidingshandelingen en -middelen gericht waren op het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing en dat het opzet van de verdachten was gericht op het begaan van dit misdrijf. Het explosief, de fatbike en gezichtsbedekkende kleding, zijn naar het oordeel van de rechtbank voorwerpen die bestemd waren voor het begaan van het beoogde grondmisdrijf (namelijk het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing). Deze middelen konden naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig zijn voor het doel dat de verdachten met het gebruik daarvan voor ogen hadden. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat het ook werkelijk de bedoeling van de medeverdachte was om het pakket te gaan afsteken en dat hij van plan was om met de medeverdachte mee te gaan.
Het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van voorbereidingshandelingen tot het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing en het medeplegen van het voorhanden hebben van een explosief.
Conclusie
Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het medeplegen van de in artikel 157 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafecht omschreven brandstichting en/of ontploffing ten aanzien van één of meer onbekend gebleven objecten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen,
en eenstof en
eenvervoermiddel, te weten een doos met daarin een plastic zak bevattende ongeveer
300gram flitspoeder, een fatbike en gezichtsbedekkende kleding, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft voorhanden heeft gehad;
2
hij op 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging
met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Improvised Explosive Device (IED), bestaande uit een rechthoekig pakket omwikkeld met DUCT-tape met uit één hoek een vuurwerklont stekende, en bevattende ongeveer 300 gram flitspoeder, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 45 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 31 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring van feit 2 te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke straf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een explosie, waarbij gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten was. Daarnaast heeft hij zich, samenhangend met de voorbereiding van de explosie, schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een Improvised Explosive Device (IED) met een explosieve lading van ongeveer 300 gram flitspoeder. Hiermee hadden de verdachten een flinke ontploffing kunnen veroorzaken (zoals ook zichtbaar op het filmpje waarop het explosief tot ontploffing is gebracht) met alle gevolgen van dien. Het is uitsluitend aan het ingrijpen van de politie te danken dat het plan van de verdachten niet tot uitvoering is gekomen.
Het teweegbrengen van een explosie is een ernstig strafbaar feit, dat in de samenleving grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt en een grote inbreuk op de rechtsorde maakt. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd tijdens een proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
Persoon van de verdachte
De deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft ter zitting naar voren gebracht dat er geen doelen meer zijn om met de verdachte aan te werken. Het toezicht vanuit de jeugdreclassering en de begeleiding door de coach zijn dan ook niet langer noodzakelijk. De Raad adviseert bij een veroordeling een voorwaardelijke straf met alleen de algemene voorwaarde. Verder is volgens de Raad een proeftijd voor de duur van één jaar passend.
De jeugdreclasseerder van de verdachte, werkzaam bij William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering), heeft daar ter zitting aan toegevoegd dat er sprake is van een positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte en dat hij de afgelopen twee jaar niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. De verdachte is vader geworden, leeft met zijn gezin en hij heeft sinds een paar maanden een vaste baan. Ook is er een coach bij de verdachte betrokken. Gelet op deze positieve ontwikkelingen is de reclassering van mening dat reclasseringstoezicht niet langer noodzakelijk is. Indien een voorwaardelijke straf aan de verdachte wordt opgelegd, is het advies om daaraan een proeftijd van één jaar te verbinden.
De coach van de verdachte, werkzaam bij [instelling] , heeft ter zitting beaamd dat er veel positieve ontwikkelingen zijn in het leven van de verdachte. Hoewel de verdachte zelf wel aangeeft behoefte te hebben aan voortzetting van begeleiding door een coach, wordt dit niet langer noodzakelijk geacht.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Voor het medeplegen van voorbereiding van een explosie worden in de regel forse straffen opgelegd.
In dit geval weegt de rechtbank als strafverzwarend mee dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is medeplegen. In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 29 mei 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn (zoals hiervoor al overwogen) en de duurzame positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt. De verdachte heeft hard gewerkt om zijn leven een positieve wending te geven. Hij heeft afstand genomen van zijn oude sociale netwerk en heeft zijn leven inmiddels goed op de rit. De rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.
Gezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie, gelet op de positieve ontwikkelingen die de verdachte inmiddels heeft doorgemaakt, niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de 14 dagen die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden vindt. Een gedeelte van 46 dagen zal voorwaardelijk worden opgelegd. Gelet op de lange periode waarin de verdachte zich aan de schorsende voorwaarden heeft moeten houden en de omstandigheid dat er op dit moment geen zorgen over hem zijn, zal de rechtbank daaraan – zoals ook door de deskundigen geadviseerd – een proeftijd van één jaar verbinden. De rechtbank vindt dat de verdachte, gelet op de manier waarop hij nu zijn leven op de rit heeft en hij er blijk van geeft voor zijn gezin te willen blijven zorgen, het vertrouwen verdient dat een proeftijd van één jaar voldoende is.
De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank ziet bij de besproken omstandigheden geen aanleiding om ook een onvoorwaardelijke werkstraf aan de verdachte op te leggen.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-229015-22 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 juni 2023 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een werkstraf voor de duur van 25 uren subsidiair 12 dagen jeugddetentie met aftrek, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie persisteert bij de vordering.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 27 februari 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 15 juni 2023, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 46, 47, 55, 77 a, 77g, 77i, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander/anderen te duchten is;
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onderdeel 7º;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
60 (ZESTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
door de rechtbank begroot op 14 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
46 (ZESENVEERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
1 (ÉÉN) jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de vordering tenuitvoerlegging
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van
25 uren, subsidiair 12 dagenvervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 15 juni 2023 in de zaak met parketnummer 09-229015-22;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J. Bouwman, kinderrechter, voorzitter,
mr. W.G. de Boer, kinderrechter,
en mr. M.H. Rochat, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.