Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10271

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL25.64011
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij afwijzing asielaanvraag Syrië

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 19 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag op 22 december 2025 af wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië.

Eiser voerde aan dat de cumulatie van de onveilige situatie in Damascus, het risico op willekeurig geweld, de slechte humanitaire omstandigheden en het ontbreken van een sociaal vangnet hem blootstellen aan een reëel risico op onmenselijke behandeling. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd.

Desondanks vond de rechtbank dat de aanvullende motivering van verweerder, waarin werd gesteld dat de dienstplicht onder het Assad-regime geen vervolgingsgrond meer vormt en dat het niveau van willekeurig geweld in Damascus relatief laag is, voldoende was om de afwijzing in stand te laten.

De rechtbank wees ook op het arrest Sufi en Elmi van het EHRM en concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege humanitaire omstandigheden. De proceskosten werden aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64011

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 19 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, M. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Eiser heeft verklaard dat hij uit Syrië is vertrokken vanwege de dienstplicht en de algemene oorlogssituatie. Hij heeft ook verklaard dat hij als soenniet is gediscrimineerd. Eiser kan niet terugkeren naar Syrië vanwege sektarisch geweld en spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Eiser vreest bij een terugkeer dat hij slachtoffer wordt van mishandeling en moord door deze groepen.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
dienstplicht onder het Assad-regime.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook vindt verweerder het geloofwaardig dat eiser dienstplichtig was onder het Assad-regime. Dat eiser soennitisch is, vindt verweerder op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Ook vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering of vervolging omdat hij onder het Assad-regime dienstplichtig was. Tot slot vindt verweerder dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt. In Syrië is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser is allereerst van mening dat hij gemotiveerd heeft aangevoerd dat de cumulatie van de onveilige situatie in Damascus, het risico op willekeurig geweld, de extreem slechte humanitaire omstandigheden en het ontbreken van een reëel sociaal en economisch vangnet ertoe leidt dat hij bij terugkeer naar Syrië wordt blootgesteld aan een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling. Eiser voert verder aan dat verweerder geen concrete en regiospecifieke beoordeling heeft gemaakt van de actuele situatie in Damascus en ten onrechte voor Damascus geen hogere gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen. Ook heeft verweerder de humanitaire situatie in Syrië slechts marginaal betrokken bij de beoordeling van het risico op ernstige schade. Tot slot heeft verweerder niet onderzocht of de huidige autoriteiten daadwerkelijk in staat en bereid zijn bescherming te bieden tegen dwangrekrutering door niet-statelijke actoren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft in het verweerschrift namelijk een aanvullende motivering op het bestreden besluit gegeven. Daarin ligt besloten dat de motivering in het bestreden besluit ontoereikend was. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij een terugkeer naar Syrië en overweegt hiertoe als volgt.
Dienstplicht onder het Assad-regime6.1. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft voor vervolging omdat hij dienstplichtig was onder het Assad-regime. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de dienstplicht na de val van het regime van Assad op 8 december 2024 door de overgangsregering is beëindigd [1] en dat er een algemene amnestie voor dienstplichtigen in het Syrisch leger is aangekondigd. [2] Nu voor dienstweigeraars en deserteurs het Assad-regime de enige dader van vervolging was, is de gestelde vrees voor vervolging naar het oordeel van de rechtbank weggenomen. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen individuele, concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering vanuit andere partijen. Eisers betoog dat verweerder had moeten onderzoeken of de huidige autoriteiten daadwerkelijk in staat en bereid zijn bescherming te bieden tegen dwangrekrutering, volgt de rechtbank dan ook niet.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt?7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Syrië en overweegt hiertoe als volgt.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld7.1. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [3] , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [4]
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [5] De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [6] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [7]
7.2.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. [8] Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.
Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Damascus, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat Damascus onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Damascus. Verder waren er in Damascus vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Damascus, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Damascus. Dat verweerder geen concrete en regiospecifieke beoordeling heeft gemaakt van de situatie in Damascus, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet.
7.2.1.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. [9] Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. [10] Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Damascus in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
7.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.
7.4.
Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM8. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [11] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
8.1.
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [12] Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Eisers betoog dat verweerder de humanitaire situatie in Syrië slechts marginaal heeft betrokken bij de beoordeling van het risico op ernstige schade, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, omdat hij een terugkeerder is, niet beschikt over een reëel sociaal en economisch vangnet en dienstplichtig was onder het Assad regime. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser heeft verklaard dat zijn ouders op dit moment woonachtig zijn in Damascus en hij derhalve familie heeft die hem kan opvangen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijk motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de aanvullende motivering van 13 april 2026 alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag als ongegrond blijft staan.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemeen Ambtsbericht Syrië 29 mei 2025, p. 33 en European Union Agency for Asylum: interim Country Guidance: Syria, p. 29-30.
2.Algemeen Ambtsbericht Syrië 29 mei 2025, p. 9.
3.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
4.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
5.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
7.Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
8.Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.
9.Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.
10.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
11.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
12.Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).