Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
11963769-25-84588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 onder a BWArt. 7:671b lid 9 onder c BWArt. 7:653 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens beschadigde vertrouwensrelatie en gedeeltelijke vernietiging relatiebeding

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer wegens verwijtbaar handelen en subsidiair andere omstandigheden (h-grond). De werknemer wordt op non-actief gesteld na interne en externe registraties door de verzekeraar Nationale-Nederlanden (NN) vanwege een onverzekerde schade die met terugwerkende kracht is verzekerd. De werknemer heeft de schade gemeld, maar NN stelt dat hij heeft geprobeerd te misleiden.

De kantonrechter oordeelt dat de werknemer geen ernstig verwijtbaar handelen heeft gepleegd, omdat hij alle relevante informatie aan NN heeft verstrekt en geen onjuiste informatie heeft achtergehouden. Wel is de vertrouwensrelatie tussen werkgever en NN beschadigd, waardoor herplaatsing niet mogelijk is. Daarom is er een redelijke grond voor ontbinding op de h-grond.

De transitievergoeding wordt toegekend over de periode vanaf 1 januari 2021 tot 1 juni 2026, omdat opvolgend werkgeverschap niet is vastgesteld. De billijke vergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Het relatiebeding wordt gedeeltelijk vernietigd voor potentiële klanten zonder bestaande relatie, met een beperking tot drie maanden na ontbinding. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026, met toekenning van transitievergoeding en gedeeltelijke vernietiging van het relatiebeding.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
QS (C/D)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer / rekestnummer: 11963769 \ EJ VERZ 25-84588
Beschikking van17 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij A] B.V.,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. J.C. Brökling,
tegen
[partij B],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. C.M. van der Burg.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding op de h-grond. Het tegenverzoek van werknemer om een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Werkgever moet de transititievergoeding betalen, nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Het relatiebeding wordt gedeeltelijk vernietigd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties,
- het verweerschrift tevens houdende (zelfstandige) nevenverzoeken met producties,
- de brief van 3 maart 2026 van de gemachtigde van mr. C.M. van der Burg,
- de brief van 5 maart 2026 met producties van [partij A] ,
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. [partij B] heeft ook spreekaantekeningen voorgedragen.
1.2.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[partij B] , geboren [geboortedatum] 1961, is ruim 40 jaar werkzaam in de verzekeringsbranche, waaronder bij [bedrijfsnaam 1] B.V. waarvan hij mede-eigenaar was. Per 1 januari 2021 is [bedrijfsnaam 1] B.V. overgedragen aan [partij A] , waarbij [partij B] bij [partij A] in dienst is getreden in de functie van senior accountmanager bedrijven tegen een loon van € 5.942,49 bruto per maand.
2.2.
In zijn functie treedt [partij B] onder meer op voor cliënten bij de totstandkoming van verzekeringen met diverse verzekeraars, waaronder Nationale-Nederlanden (hierna NN), en bij contacten met verzekeraars ten behoeve van die cliënten.
2.3.
In de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen met de volgende inhoud:
“(…) Werknemer zal zowel tijdens als gedurende een periode van 2 jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever, tegen betaling of om niet, in loondienst of als zelfstandige, direct of indirect, geen relaties/klanten van werkgever of aan werkgever gelieerde onderneming(en), benaderen of bedienen, hoe ook, voor zover werknemer daarmee beoogt werkzaamheden voor deze relaties/klanten te (laten) verrichten die op enige wijze concurrerend zijn aan de activiteiten van werkgever en de aan werkgever gelieerde ondernemingen.
Onder relaties worden begrepen:- ten tijde van de arbeidsovereenkomst bestaande cliënten van werkgever;
- ten tijde van de arbeidsovereenkomst door of namens werkgever aantoonbaar benaderde potentiële cliënten met wie op dat moment nog geen contractuele of zakelijke relatie bestond. (…)”.
2.4.
Artikel 11 onder Pro h van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:
“(…) Indien zich een gebeurtenis of omstandigheid (tijdens het dienstverband) voordoet die meebrengt dat de betrouwbaarheid of integriteit van de werknemer in twijfel kan worden getrokken, dient werknemer dit onverwijld aan werkgever mee te delen.
Een achteraf gebleken strijdigheid met het hiervoor bepaalde kan voor de werkgever een dringende reden zijn om de arbeidsrelatie (op staande voet) te beëindigen.”
2.5.
In het personeelsreglement staat onder meer het volgende:
Art. 12.1(…)
[partij A] wenst nadrukkelijk op te merken dat de volgende uitgangspunten voor iedere medewerker binnen de organisatie voorop dient te staan:
- Klantbelang voorop stellen door integer, solide en klantgericht te adviseren;
- Klantenbinding waarbij gestreefd dient te worden naar lange termijnrelaties met klanten;
- Risicomijdend gedrag zowel voor de klanten als voor de organisatie;
- Transparantie naleven zowel naar buiten toe als binnen de organisatie.”
(…)
Art. 12.2(…)
Naast de functie gerelateerde competenties die per functie verschillen is er binnen de organisatie een aantal kernwaarden benoemd:
- Klantgericht
- Integer
- Solide
- Samenwerken
- Kwaliteitsgericht
- Transparant
(…)
Art. 12.3(…)
Op geen enkele wijze werkt [partij A] mee aan het bewust geven van verkeerde informatie aan verzekeringsmaatschappijen of andere financiële instellingen bij het aangaan van de verzekering, tijdens de looptijd van de verzekering of indien een beroep op de verzekering wordt gedaan. (…)”.
2.6.
Op 18 september 2024 heeft [partij B] een e-mail ontvangen van cliënt [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) over een RDW-verklaring van een niet verzekerde hijskraan (verder: de hijskraan) in eigendom bij [bedrijfsnaam 2] . De hijskraan was geschorst tot 5 september 2024 en [bedrijfsnaam 2] had een brief van de RDW ontvangen over een op te leggen boete voor het niet verzekerd zijn van de hijskraan. Naar aanleiding van de e-mail heeft [partij B] telefonisch contact opgenomen met NN omtrent het (opnieuw) verzekeren van de hijskraan.
2.7.
Per e-mail van 19 september 2024 heeft [partij B] NN verzocht om de hijskraan in dekking te nemen. NN heeft vervolgens bij [partij B] navraag gedaan naar de afloopdatum van de schorsing. Op 27 september 2024 heeft [bedrijfsnaam 2] [partij B] per e-mail laten weten dat de schorsing eind augustus 2024 was verlopen en heeft hij verzocht om de hijskraan in verzekering te nemen per 2 september 2024. [partij B] heeft dit bericht doorgestuurd naar NN.
2.8.
NN heeft op 1 oktober 2024 de polis voor de hijskraan afgegeven waarin als ingangsdatum van de polis 2 september 2024 is opgenomen.
2.9.
Op 27 november 2024 heeft tussen [partij B] en [bedrijfsnaam 2] een gesprek plaatsgevonden waarin, onder meer, is gesproken over een schade veroorzaakt met de hijskraan. Diezelfde dag heeft [partij B] een e-mail aan [bedrijfsnaam 2] gestuurd waarin onder meer staat vermeld:
"Naar aanleiding van ons gesprek van heden morgen, bevestig ik dat wij de schade van 16 september 2024 in behandeling gaan nemen. (…)
Gaarne verzoek ik om alle stukken en uitgebreid verhaal via de mail naar mij door te sturen, dan zal ik alles gedocumenteerd versturen naar Nationale Nederlanden.
PS. De kraan is aangemeld op 18 september (zie onderstaande), de verklaring van RDW is 2-9-2024 en de schadedatum is 16-9-2024, gelukkig is de polis opgemaakt per 2 september 2024.
Ik hoop dat Nationale Nederlanden niet dit gaat controleren, de schade was dus al bekend op 18 september (…)."
2.10.
[partij B] heeft op 4 december 2024 per e-mail [bedrijfsnaam 2] nogmaals verzocht om de stukken om de schade te kunnen melden bij NN. In diezelfde e-mail heeft [partij B] de tekst van zijn bericht van 27 november, zoals hierboven weergegeven, herhaald.
2.11.
Op 13 maart 2025 heeft [partij B] de schade gemeld bij NN, met het verzoek om met spoed een expert in te schakelen. [partij B] heeft diverse bijlagen bij zijn verzoek gevoegd. Daartoe behoorden ook zijn e-mails van 27 november en 4 december 2024 aan [bedrijfsnaam 2] .
2.12.
Naar aanleiding van de schademelding heeft NN haar afdeling Speciale Zaken ingeschakeld. De afdeling Speciale Zaken heeft in het kader van haar onderzoek gesprekken gevoerd met zowel [partij B] als met [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] heeft meermaals verklaard dat hij [partij B] op 18 september 2024 al had geïnformeerd over het schadevoorval met de hijskraan van 16 september 2024. [partij B] heeft verklaard dat hij pas in november 2024 door [bedrijfsnaam 2] is geïnformeerd over de schade van 16 september 2024.
2.13.
NN heeft [partij B] per brief van 18 juni 2025 bericht dat zij hem voor drie jaar extern en voor acht jaar intern registreert, omdat [partij B] volgens NN de hijskraan, die tijdens een onverzekerde periode schade veroorzaakte, alsnog met terugwerkende kracht in dekking heeft laten nemen. Volgens NN was [partij B] in ieder geval op 27 november 2024 op de hoogte van de schade die tijdens de onverzekerde periode was ontstaan. Daarbij zou [partij B] de hoop hebben uitgesproken dat NN bij controle niet zou ontdekken dat het een schade tijdens de onverzekerde periode betrof. Die tekst toont volgens NN aan dat [partij B] opzettelijk heeft geprobeerd NN te misleiden om een onverzekerde schade vergoed te krijgen. NN heeft daar vervolgens diverse gevolgen aan verbonden.
2.14.
[partij A] heeft [partij B] op 19 juni 2025 op non-actief gesteld naar aanleiding van de interne en externe registraties door NN, waardoor het uitoefenen van de functie van [partij B] onmogelijk is.
2.15.
Op 7 juli 2025 heeft [partij B] zich ziek gemeld.
2.16.
[partij B] heeft NN per brieven van 29 juni 2025 en 6 augustus 2025 verzocht het standpunt te herzien. NN liet weten haar standpunt niet te herzien. Op 11 augustus 2025 is [partij B] zodoende een procedure bij Stichting Klachteninstituut financiële dienstverlening (hierna: Kifid) gestart. NN heeft daar verweer gevoerd.
2.17.
Op 7 januari 2026 heeft [partij B] NN gedagvaard in kortgeding bij de rechtbank Den Haag.
2.18.
Op 14 januari 2026 heeft [partij B] , wegens de schorsende werking die het aanhangig maken van het kort geding heeft in de Kifid-procedure, de procedure bij Kifid ingetrokken.
2.19.
Op 28 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de kortgedingprocedure en op 20 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan. Daarin is bepaald dat NN dient zorg te dragen voor verwijdering van de persoonsgegevens van [partij B] uit het Incidentenregister (IR) en het Externe Verwijzings-register (EVR).
2.20.
[partij B] staat nog in de Intern-verwijzings-register (IVR) en de gebeurtenissenadministratie (GA) van NN geregistreerd.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[partij A] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst met [partij B] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair wegens andere omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever niet in redelijkheid kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren,
II. het einde van de arbeidsovereenkomst daarbij op een zo vroeg mogelijk tijdstip te bepalen,
III. voor recht te verklaren dat de werkgever aan de werknemer geen transitievergoeding verschuldigd is,
IV. [partij B] te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
[partij A] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat primair sprake is van verwijtbaar handelen aan de zijde van [partij B] door schade bij NN te melden, waarvan [partij B] wist dat die schade niet verzekerd was. Dit blijkt volgens [partij A] uit de e-mail aan [bedrijfsnaam 2] van 27 november 2024. [partij B] had open kaart moeten spelen met NN en moeten aangeven dat de hijskraan schade had opgelopen gedurende de periode dat de polis met terugwerkende kracht in werking was getreden. Het opzettelijke verzwijgen daarvan en daarmee NN bewegen om een schade uit te keren waarvan [partij B] wist dat die niet verzekerd was, levert een zware inbreuk op de integriteit van [partij B] op. Daarmee handelt [partij B] in strijd met artikel 11 onder Pro h van de arbeidsovereenkomst en de artikelen 12.1, 12.2 en met name 12.3 van het personeelsreglement. Ook heeft [partij B] in strijd met de bankierseed gehandeld.
3.3.
Subsidiair voert [partij A] aan dat de registraties in het IVR en het EVR verstrekkende consequenties hebben voor [partij B] en daarmee ook voor [partij A] . Alle deelnemende financiële instellingen kunnen deze registraties zien zodat naar verwachting naast NN ook andere deelnemers hun diensten zullen weigeren aan [partij B] . Het wordt daarbij onmogelijk voor [partij B] om zijn werkzaamheden (goed) uit te voeren. Van [partij A] kan niet worden verwacht dat zij een werknemer onder deze omstandigheden in dienst houdt. Verder zijn er geen herplaatsingsmogelijkheden, gezien de registraties in het IVR en EVR, het opleidingsniveau van [partij B] en zijn werkervaring. Alle werkzaamheden (ook de eenvoudigere administratieve taken) vallen onder werkzaamheden die [partij B] van NN en als gevolg van de registraties niet meer kan doen.
3.4.
Tot slot is er volgens [partij A] geen opzegverbod van toepassing, nu zowel het primaire als het subsidiaire verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de ziekte van [partij B] .
3.5.
[partij B] voert verweer en verzoekt de kantonrechter – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:
primair:
het ontbindingsverzoek af te wijzen,
te bepalen dat [partij A] per direct en schriftelijk de non-actiefstelling opheft en [partij B] toelaat tot de werkvloer voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden, op straffe van een dwangsom,
subsidiair, bij ontbinding:
3. voor recht te verklaren dat [partij B] een transitievergoeding en een billijke vergoeding toekomt en dat [partij A] verplicht is deze binnen 14 dagen na betekening van deze uitspraak aan [partij B] te betalen,
4. [partij B] een transitievergoeding toe te kennen van € 102.000,- bruto,
5. [partij B] een billijke vergoeding toe te kennen van minimaal € 267.048,- bruto,
6. het toepasselijke non-concurrentiebeding en relatiebeding integraal te vernietigen c.q. buiten toepassing te verklaren c.q. ter zijde te stellen, dan wel de duur daarvan te mitigeren c.q. te matigen tot maximaal 3 maanden na datum ontbinding, dan wel een vergoeding te bepalen ter grootte van € 500,- per dag voor iedere dag dat het non-concurrentiebeding en/of relatiebeding na datum ontbinding blijft voortduren,
een en ander met veroordeling van [partij A] tot betaling van:
7. de buitengerechtelijke kosten ad € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en 7,5% kantoorkosten, dan wel een bedrag op basis van de Staffel Buitengerechtelijke incassokosten, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen,
8. de proceskosten.
3.6.
[partij B] betwist dat er een redelijk grond voor ontbinding is en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [partij B] heeft de complete schademelding met alle informatie (zonder toevoeging of verwijdering) bij NN ingediend. De tekst in de e-mail aan [bedrijfsnaam 2] van 27 november 2024 is door hem onhandig geformuleerd en had enkel tot doel zijn eigen klant te waarschuwen dat er mogelijk onverzekerde schade wordt gedeclareerd. Een en ander niet met de intentie om fraude te plegen. Hij heeft open en transparant gecorrespondeerd richting NN. Daarnaast is er geen financieel nadeel geleden. [partij B] betwist voorts dat hij geen werkzaamheden kan verrichten bij [partij A] vanwege de interne registraties bij NN. [partij A] heeft verder in strijd met goed werkgeverschap en hierdoor ernstig verwijtbaar gehandeld. [partij A] heeft zonder onderzoek een integriteitsverwijt geuit en gehandhaafd, [partij B] langdurig op non-actief gesteld, verzuimd (onafhankelijk) onderzoek te doen en [partij B] bij te staan, prematuur ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht en uitsluitend het belang van NN gediend, aldus [partij B] .

4.De beoordeling van het verzoek en tegenverzoek

4.1.
Gelet op de samenhang zullen het verzoek en het tegenverzoek gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
Primair: ontbinding op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer)
4.3.
Uit artikel 7:669 lid 1 en Pro lid 3 sub e BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de jurisprudentie komt bij de beoordeling of er sprake is van verwijtbaar handelen veel gewicht toe aan de vraag of de werknemer van tevoren duidelijk was wat wel of niet door zijn werkgever als toelaatbaar wordt gezien. Van belang is of de werkgever in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen en zelf geen blaam treft. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:941 lid 1 BW Pro is de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, zodra hij van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is, of behoort te zijn, verplicht aan de verzekeraar de verwezenlijking te melden (de meldingsplicht). Dit gebeurt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde verplicht zijn binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen (de zogenaamde inlichtingenplicht en mededelingsplicht).
4.5.
De verzekeraar heeft zonder meer belang heeft bij een juiste informatieverstrekking door de verzekerde, zowel bij het sluiten van de overeenkomst als gedurende de looptijd ervan. De verzekeraar is bij het vaststellen van zijn uitkeringsplicht vaak grotendeels afhankelijk van informatie van de verzekerde, die voor de verzekeraar moeilijk te controleren is. Daarom moet de verzekeraar erop kunnen vertrouwen dat de verzekerde juiste en zo volledig mogelijke informatie verstrekt. Ook [partij B] als werknemer van een assurantietussenpersoon, die optreedt namens de verzekerde, heeft voornoemde mededelingsplicht tegenover de verzekeraar NN.
4.6.
De vraag is of [partij B] NN expliciet had moeten wijzen op het feit dat de polis met terugwerkende kracht was afgesloten. In dat kader is relevant dat in principe niet hoeft te worden gewezen op informatie waarover de verzekeraar al beschikt. Dit volgt ook niet uit de mededelingsplicht van artikel 7:941 BW Pro. NN had in dit geval voor de vaststelling van haar uitkeringsplicht informatie nodig waaruit blijkt wat de schade is, hoe en wanneer deze is ontstaan, wanneer de polis is afgesloten en met welke ingangsdatum dat is gedaan. Niet in geschil is dat NN reeds bekend was met de twee laatstgenoemde data. [partij B] heeft immers eerder overleg gehad met NN over de betreffende hijskraan van [bedrijfsnaam 2] en vervolgens is door NN welbewust voor deze kraan een polis opgemaakt en afgegeven met een ingangsdatum in het verleden. Met de mail van 13 maart 2025 inclusief bijlagen beschikte NN dan ook over alle informatie op grond waarvan zij de schade kon beoordelen. Weliswaar heeft [partij B] NN daarbij niet expliciet gewezen op het feit dat de schade is ontstaan voordat de verzekering was aangevraagd, gesteld noch gebleken is dat door hem onjuiste informatie is verstrekt of nadere informatie is achtergehouden. Er is dus geen sprake van schending van artikel 12.3 van het personeelsreglement. Dat [partij B] in een aan NN bij de schademelding verstrekte e-mail van 27 november 2024 gericht aan [bedrijfsnaam 2] schrijft “
Ik hoop dat Nationale Nederlanden niet dit gaat controleren” –hetgeen begrijpelijkerwijs door NN niet werd gewaardeerd – leidt op zichzelf niet automatisch tot de conclusie dat hij NN heeft willen misleiden. Een kanttekening of waarschuwing door [partij B] aangaande de ingangsdatum van de polis was wellicht wel op zijn plaats geweest in het licht van de vertrouwensrelatie tussen [partij B] / [partij A] en NN. Dat [partij B] dit niet heeft gedaan doet echter niets af aan het feit dat NN al bekend was met (de omstandigheden die meespeelden bij de totstandkoming van) de door haar zelf verstrekte polis en [partij B] bij het indienen van de schademelding geen informatie heeft achtergehouden. Daar komt bij dat het niet de taak van de verzekernemer of haar vertegenwoordiger is om voor de verzekeraar uit te zoeken of een schade is gedekt of niet.
4.7.
Ook uit de arbeidsovereenkomst, het personeelsreglement en de bankierseed volgt niet expliciet dat [partij B] NN er op had moeten wijzen dat de schade mogelijk niet verzekerd was gelet op het feit dat deze verzekering met terugwerkende kracht was afgesloten en de schademelding van voor de datum van het sluiten van de verzekering was. Zo bevatten de artikelen 11 onder h van de arbeidsovereenkomst en 12.1 en 12.2 van het personeelsreglement enkel
algemenerichtlijnen betreffende het gedrag van een werknemer (integriteit, transparantie etcetera). Dat werknemers altijd gehouden zijn informatie te melden die reeds bij een verzekeraar bekend is (in casu: de bedoelde kanttekening of waarschuwing) volgt daaruit niet. Nu niet in geschil is dat [partij B] alle beschikbare informatie aangaande de schade met NN heeft gedeeld, kan het enkele weglaten van de bedoelde kanttekening of waarschuwing niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van een grove integriteitsschending of ernstig gebrek aan transparantie. Dat [partij B] een en ander van te voren had moeten melden bij [partij A] is na de betwisting daarvan niet verder onderbouwd door [partij A] . Bovendien heeft [partij B] de betreffende afdeling van [partij A] bij de schademelding steeds in cc meegenomen in de correspondentie met NN.
4.8.
Mede gelet op [partij B] lange staat van dienst, is het enkele feit dat [partij B] bij zijn e-mail van 13 maart 2025 aan zijn cliënt schrijft dat hij hoopt dat de schademelding niet door NN wordt gecontroleerd, niet dusdanig verwijtbaar dat het een voldragen e-grond oplevert. Hoewel dit gedrag hem door [partij A] en/of NN begrijpelijkerwijs wordt aangerekend, ziet de kantonrechter gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende aanknopingspunten om de arbeidsovereenkomst vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen door [partij B] op de e-grond te ontbinden.
Subsidiair: ontbinding op de h-grond (andere omstandigheden)
4.9.
[partij A] stelt in dit kader dat [partij B] nog steeds geregistreerd staat in de Intern-verwijzings-register (IVR) en de gebeurtenissenadministratie (GA) van NN en daarom niet van haar kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op grond van deze registraties mag [partij B] geen werkzaamheden verrichten voor NN en bij NN aangesloten bedrijven. Daaronder vallen Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., NN Verzekeren, ING Verzekeren, Movir, OHRA, SNS Verzekeren, ABN AMRO Schadeverzekeringen NV, Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. en Nationale Nederlanden Bank NV, hetgeen betrekking heeft op het overgrote deel van [partij A] ’s klantenbestand (NN is de grootste verzekeraar waarmee [partij A] samenwerkt met een provisieomzet van ongeveer € 21.000.000,--). Dit maakt het uitvoeren van zijn werkzaamheden onmogelijk, te meer [partij B] als onafhankelijke adviseur bij het geven van advies geen verzekeringsmaatschappijen mag uitsluiten. Ook heeft NN in haar e-mail van 4 maart 2026 uitdrukkelijk aangegeven dat zij niet wil dat [partij B] nog diensten verricht aangaande haar producten. Ook andere functies bij [partij A] zijn onlosmakelijk verbonden met het onderhouden van relaties met voormelde verzekeraars, zodat ook daar geen mogelijkheden liggen. Bovendien heeft een en ander de samenwerkingsrelatie tussen [partij A] en NN onder druk gezet, aldus [partij A] .
4.10.
[partij B] betwist dat hij zijn werkzaamheden niet kan uitvoeren met de interne registraties. Hij voert aan dat de aanvragen die betrekking hebben op NN door een andere afdeling kunnen worden gedaan, zodat [partij B] niet rechtstreeks contact heeft met NN. Ook kan [partij B] andere werkzaamheden verrichten (bijvoorbeeld meer administratieve).
4.11.
De kantonrechter overweegt als volgt. De zogenaamde h-grond geldt als een zogenoemde ‘vangnetbepaling’ voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar die wel van dien aard zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is van oordeel dat er in dit geval een redelijke grond is voor ontbinding op de h-grond. Hoewel hiervoor de conclusie is getrokken dat [partij B] alle informatie over de schademelding aan NN heeft gemeld, is door het handelen van [partij B] wel de vertrouwensrelatie tussen [partij A] (althans tussen [partij B] ) en NN beschadigd. [partij A] heeft voldoende onderbouwd dat NN op geen enkele wijze meer (in)direct met [partij B] wenst samen te werken en dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, nu ook in functies ‘achter de schermen’ het uitsluiten van volledige betrokkenheid van [partij B] bij aanvragen of dossiers van NN niet realistisch is. Bovendien heeft NN [partij B] in haar interne registers opgenomen. Dat brengt mee dat [partij B] tot 2033 geen werkzaamheden kan verrichten voor de bij NN aangesloten bedrijven. Onbetwist is gesteld dat NN de grootste verzekeringspartner is van [partij A] . Ook heeft [partij A] onvoldoende betwist gesteld dat alle werkzaamheden van [partij A] verband houden met de dossierbehandeling van verzekeraars, waarbij NN niet kan worden uitgesloten, zodat er aldus geen mogelijkheden meer zijn voor [partij B] bij [partij A] .
4.12.
Een en ander is het directe gevolg geweest van handelen van [partij B] (waaronder de aan de klant gerichte tekst: “
Ik hoop dat Nationale Nederlanden niet dit gaat controleren”).[partij A] heeft daar op geen enkele wijze zelf aan bijgedragen en van haar mag onder voormelde omstandigheden dan ook niet verwacht worden het reële risico op verlies van samenwerking met haar grootste verzekeraar te dragen. Het belang van [partij A] weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [partij B] . De kantonrechter concludeert dan ook dat in redelijkheid niet van [partij A] kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren.
Opzegverbod
4.13.
[partij B] heeft nog een beroep gedaan op het opzegverbod bij ziekte. Dit opzegverbod staat aan ontbinding niet in de weg, omdat duidelijk is dat het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [partij A] geen verband houdt met de ziekte van [partij B] .
(gevolgen) ontbinding arbeidsovereenkomst
4.14.
De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 juni 2026 op de h-grond. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [3] Omdat de ontbinding wordt toegewezen, worden de primaire verzoeken van [partij B] afgewezen.
4.15.
Uit de wet volgt dat een werknemer recht heeft op een transitievergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door ontbinding, behalve als deze beëindiging het gevolg is van
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten van die werknemer. Hiervoor is reeds geoordeeld dat daarvan niet is gebleken. [partij B] komt daarom een transitievergoeding toe, welke in het kader van het ontbindingsverzoek zal worden toegewezen (onder afwijzing van zowel de gevorderde verklaring voor recht dat geen transitievergoeding verschuldigd is in het verzoek als de gevorderde transitievergoeding in het tegenverzoek).
4.16.
[partij B] voert aan dat hij sinds 1 juni 1999 in dienst was bij [bedrijfsnaam 1] B.V. welke onderneming door [partij A] is overgenomen. Hij is na de overname exact dezelfde werkzaamheden en voor grotendeels dezelfde klanten en relaties blijven verrichten. Met de overname door [partij A] is daarom sprake van opvolgend werkgeverschap. De transitievergoeding moet volgens [partij B] dan ook worden berekend vanaf de datum 1 juni 1999. [partij A] betwist dat sprake is van opvolgend werkgeverschap, omdat zij alleen de klantenportefeuille heeft overgenomen van de onderneming, waar [partij B] directeur-grootaandeelhouder van was. [partij B] was zelfstandig ondernemer en is pas na de verkoop van zijn portefeuille bij [partij A] in dienst getreden. [partij A] hanteert als datum vanaf wanneer de transitievergoeding moet worden berekend daarom 1 januari 2021, omdat [partij B] op die datum in dienst is getreden bij [partij A] .
4.17.
In de wet is bepaald dat voorafgaande arbeidsovereenkomsten bij de berekening van de transitievergoeding worden meegeteld indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn (artikel 7:673 lid 4 sub b BW Pro). Om te kunnen beoordelen vanaf welke datum de transitievergoeding berekend moet worden, dient te worden vastgesteld of [partij A] als opvolgend werkgever van [partij B] kan worden aangemerkt.
4.18.
Gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door [partij A] , lag het op de weg van [partij B] zijn stelling voldoende en/of nader te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Hoewel namens [partij B] een lijvig verweerschrift is ingediend en ter zitting in de spreekaantekeningen verduidelijking is gegeven aangaande de (hoogte van de gevorderde) transitievergoeding, heeft [partij B] geen enkel stuk ingediend ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van opvolgend werkgeverschap, hetgeen wel op zijn weg lag. [partij B] had bijvoorbeeld zijn arbeidsovereenkomst of loonstroken kunnen overleggen uit de periode dat hij stelt werkzaam te zijn geweest bij [bedrijfsnaam 1] of nadere stukken aangaande de overname. Nu hij dit heeft nagelaten en op dit punt evenmin een concreet bewijsaanbod heeft gedaan, is niet komen vast te staan dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Dat betekent dat de transitievergoeding zal worden berekend vanaf zijn indiensttreding bij [partij A] , zijnde 1 januari 2021.
4.19.
De hoogte van de transitievergoeding dient daarom te worden berekend over een periode van 1 januari 2021 tot 1 juni 2026, dat is 4 jaar en 5 maanden. Het salaris inclusief vakantietoeslag bedraagt € 5.942,49 + 475,40 = € 6.417,89. De pensioenbijdrage telt niet mee bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding. Ook de certificaten worden niet meegenomen. [partij A] heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat dit een regeling is tussen haar Holding en [partij B] . De kostenvergoeding zal ook niet worden meegenomen, omdat die bedoeld is om gemaakte kosten te dekken en geen loon uit arbeid betreft. Wel dienen de bonussen worden meegenomen. Daarbij moet gekeken worden naar een maandgemiddelde over de afgelopen 36 maanden, waarbij de bonussen over een bepaald jaar het volgende jaar worden uitgekeerd. Zo is in 2025 € 6.137,- en in 2024 € 8.556,50 en in 2023 € 15.387,51 uitgekeerd. Het maandgemiddelde over deze jaren is € 30.081,01 / 36 = € 835,58. Het totale bruto maandsalaris is € 6.417,89 + € 835,58 = € 7.253,47. De kantonrechter zal gelet op het voorgaande dan ook een bedrag van (5 x 1/3 x € 7.253,47=) € 12.089,12+ (5 x € 7.253,47 x 1/3 x 1/12 =) € 1.007,43 = € 13.096,55 aan transitievergoeding toewijzen.
4.20.
[partij B] heeft niet gesteld welk afzonderlijk belang hij – naast toekenning van de transitievergoeding – heeft bij de verzochte verklaring voor recht ten aanzien van de transitievergoeding. Dat verzoek wordt daarom afgewezen. Wel zal de kantonrechter bepalen dat de transitievergoeding binnen 14 dagen na betekening van de beschikking moet worden betaald.
Billijke vergoeding
4.21.
[partij B] heeft aangevoerd dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [partij A] heeft volgens [partij B] namelijk zonder onderzoek een integriteitsverwijt geuit en gehandhaafd, [partij B] langdurig op non-actief gesteld, verzuimd (onafhankelijk) onderzoek te (laten) doen en [partij B] bij te staan, prematuur ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht en uitsluitend het belang van NN gediend.
4.22.
Volgens [partij A] is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde geen sprake. [partij A] heeft zorgvuldig gehandeld en de communicatie met [partij B] open gehouden. In de zomer van 2025 heeft [partij A] er bovendien alles aan gedaan om tot een regeling te komen, zodat [partij B] zo min mogelijk beschadigd zou worden.
4.23.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [partij B] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [4] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [5]
4.24.
In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [partij A] . Dat wordt als volgt toegelicht. De non-actiefstelling op 19 juni 2025 acht de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar. Hoewel [partij A] niet zelf onderzoek heeft gedaan, heeft zij [partij B] pas op non-actief gesteld toen NN heeft aangegeven dat [partij B] niet meer betrokken mag zijn bij dossiers van NN. Dat het enige tijd heeft geduurd en dat [partij B] langere tijd niet mocht werken levert ook geen verwijtbaar handelen op van [partij A] . NN blijft bij haar standpunt dat [partij B] niet betrokken mag zijn bij haar dossiers, ook niet in een andere functie. Zolang [partij B] zijn functie niet kan uitvoeren heeft [partij A] gegronde redenen om [partij B] op non-actief te stellen. Bovendien heeft [partij B] zich niet veel later, op 7 juli 2025, ziek gemeld en is hij thans nog arbeidsongeschikt, zodat hij ook niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. Hoewel het bericht van [partij A] in december 2025 aan de relaties en klanten tijdens de non-actiefstelling van [partij B] wellicht niet passend of op zijn minst onhandig was, is dat niet van dien aard dat [partij A] daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld richting [partij B] en dit een billijke vergoeding rechtvaardigt. Ook in de overige door [partij B] aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [partij A] .
4.25.
De verklaring voor recht dat een billijke vergoeding verschuldigd is en het verzoek tot toekenning van € 267.048,- bruto aan billijke vergoeding zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
Non-concurrentiebeding en relatiebeding
4.26.
[partij B] heeft aangevoerd dat hij door het non-concurrentiebeding en relatiebeding zeer ernstig en vergaand wordt beperkt en brodeloos wordt gemaakt, omdat hij daardoor geen nieuw werk meer kan vinden en evenmin feitelijk kan re-integreren.
4.27.
De kantonrechter begrijpt [partij B] zo dat hij doelt op het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst, zoals weergegeven achter randnummer 2.3. Dit relatiebeding heeft te gelden als een (beperkt) concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 BW Pro, aangezien ook een relatiebeding de werknemer beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. Ingevolge artikel 7:653 lid 2 BW Pro kan de rechter het beding geheel of gedeeltelijk vernietigen op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. In het kader van de belangenafweging van genoemd artikel dient enerzijds te worden afgewogen het belang van de werknemer, in die zin dat de werknemer door het beding niet onbillijk mag worden benadeeld. Het belang van een werkgever bij een relatiebeding is het voorkomen van verlies van klanten bij beëindiging van de arbeidsrelatie met een werknemer en het voorkomen dat een werknemer door de kennis van de klanten of het klantenbestand van de ex-werkgever zichzelf (of zijn nieuwe werkgever) een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen. Voorts geldt dat bij een relatiebeding de werknemer in beginsel niet wordt getroffen in zijn mogelijkheid om zijn functie (bij een andere werkgever) uit te oefenen zodat er, gelet op voormeld belang van de werkgever, in het algemeen minder snel aanleiding bestaat om een relatiebeding buiten toepassing te laten.
4.28.
[partij A] heeft voldoende onderbouwd dat zij er belang bij heeft om te voorkomen dat zij klanten verliest door [partij B] . [partij A] heeft voor een groot deel van de huidige klanten betaald toen zij de portefeuille van de onderneming van (onder andere) [partij B] heeft overgenomen. Daarmee is het belang van [partij A] bij handhaving van het relatiebeding gegeven. Indien het [partij B] vrij zou staan om direct na zijn uitdiensttreding betrokken te zijn bij klanten en relaties van [partij A] , ontstaat er voor [partij A] een gegronde vrees voor benadeling. Het relatiebeding belemmert [partij B] verder niet om als accountmanager werkzaam te zijn. Het relatiebeding verbiedt [partij B] slechts om gedurende twee jaar na uitdiensttreding werkzaamheden te verrichten voor of betrokken te zijn bij klanten en relaties van [partij A] . Het primaire verzoek tot algehele vernietiging zal daarom worden afgewezen.
4.29.
Subsidiair heeft [partij B] gevraagd om matiging van het relatiebeding tot drie maanden na datum ontbinding. De kantonrechter begrijpt dit als een verzoek tot gedeeltelijke vernietiging van het relatiebeding. De kantonrechter ziet aanleiding dit verzoek gedeeltelijk toe te wijzen, nu ten aanzien van de door [partij A] ten tijde van de arbeidsovereenkomst benaderde potentiële klanten met wie op dat moment nog geen contractuele of zakelijke relatie bestond niet is gebleken dat het behoud van het relatiebeding tot twee jaar na datum ontbinding nodig is. Gelet op het belang van [partij B] in deze, ziet de kantonrechter aanleiding ten aanzien van die potentiële klanten het beding te matigen tot een periode tot drie maanden. De kantonrechter acht de periode van drie maanden voldoende om de positie van [partij A] naar haar potentiële klanten en relaties waarin zij reeds (tijd) heeft geïnvesteerd te beschermen.
4.30.
Voor de bestaande klanten zal de kantonrechter de duur van het relatiebeding niet verkorten, omdat [partij A] [partij B] heeft betaald voor een groot deel van haar bestaande klanten en [partij B] ter zitting heeft verklaard dat hij een zeer goede band met zijn klanten heeft opgebouwd (zo komt hij vele klanten bijvoorbeeld tegen gedurende zijn privé-tijd). [partij A] heeft voldoende aangetoond dat zij er belang bij heeft haar klantenportefeuille te beschermen en de looptijd van twee jaar acht de kantonrechter in het licht van het voorgaande niet onredelijk. De kantonrechter ziet in hetgeen is aangevoerd ook geen aanleiding om een vergoeding toe te kennen voor handhaving van dit deel van het relatiebeding.
Buitengerechtelijke kosten
4.31.
[partij B] maakt ook aanspraak op de buitengerechtelijke kosten. [partij B] voert aan dat de buitengerechtelijke werkzaamheden onder meer bestaan uit de voorafgaand aan de procedure gemaakte kosten aan juridische bijstand door de advocaat, verbonden aan bestudering van de stukken en overleg, het zoeken van contact met – en herhaaldelijk aanschrijven van [partij A] , veelvuldig overleg met [partij B] en derden en diverse pogingen om te schikken. [partij A] heeft gemotiveerd betwist dat incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden, nu [partij B] geen enkele specificatie of betalingsbewijzen heeft overgelegd. Ook is er geen sprake van een geldvordering waarvan pogingen buiten rechte zijn gedaan om tot betaling te komen.
4.32.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden
meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen c.q. bestuderen van het dossier. Het in het verweerschrift opgenomen opsomming van de verrichte werkzaamheden zijn geen specifieke opsomming wat die werkzaamheden precies hebben ingehouden en is mede gelet op het verweer van [partij A] onvoldoende om aan te nemen dat de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden
aanmerkelijk meer omvatten dan hiervoor is vermeld.
Proceskosten4.33. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026,
5.2.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking een transitievergoeding te betalen van € 13.096,55 bruto,
op het tegenverzoek
5.3.
vernietigt het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding gedeeltelijk voor zover deze ziet op de ten tijde van de arbeidsovereenkomst door of namens werkgever aantoonbaar benaderde potentiële cliënten met wie op dat moment nog geen contractuele of zakelijke relatie bestond en deze een langere looptijd heeft dan drie maanden na ontbinding van de arbeidsovereenkomst,
op het verzoek en tegenverzoek
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] ,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.S. Vonck en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
4.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.