Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 17 april 2026 geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vreemdelingenwet. De maatregel was bedoeld om het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag mogelijk te maken en was gebaseerd op het vermoeden dat de aanvraag was ingediend om uitvoering van een terugkeerbesluit te vertragen.
Tijdens de zitting op 29 april 2026 heeft verweerder toegelicht dat de grondslag onder c en de lichte grond 4b waren laten vallen, waarmee aan een deel van de beroepsgronden van eiser tegemoet is gekomen. De overige gronden, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen, werden niet betwist door eiser.
De rechtbank oordeelde dat deze overige gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren, en dat zij de maatregel van bewaring konden dragen. Er was geen aanwijzing dat de maatregel onrechtmatig was geweest gedurende de onderzoeksperiode.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.