ECLI:NL:RBDHA:2026:10235
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit vreemdeling
Verzoekster, een Nigeriaanse vrouw die tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit gaf haar een vertrektermijn van vier weken vanaf 4 september 2025. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg meerdere keren om een voorlopige voorziening om haar verblijf en opvang in Nederland te waarborgen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster verwijderbaar is uit Nederland. Echter, het beroep had geen redelijke kans van slagen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die niet al eerder waren betrokken bij een eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening op 24 december 2025.
Verzoekster voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat de minister de hoorplicht had geschonden, maar deze argumenten werden niet voldoende onderbouwd met nieuwe feiten. De voorzieningenrechter volgde de minister en concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond was, waarna het verzoek werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.