ECLI:NL:RBDHA:2026:10224
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming inschrijving minderjarige bij zorg-onderwijscombinatie
De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige kind, die zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Er loopt een bodemprocedure over het gezag en de zorgregeling, waarin de moeder hoger beroep heeft ingesteld tegen een eerdere afwijzing van een verzoek tot eenhoofdig gezag. De vader heeft zijn toestemming voor de schoolgang van het kind ingetrokken vanwege zorgen over diens veiligheid, waarna het kind niet meer naar school gaat.
De moeder vordert in kort geding dat de vader wordt veroordeeld tot medewerking aan de inschrijving van het kind bij een van de door het Samenwerkingsverband geadviseerde zorg-onderwijscombinaties, dan wel dat zij daartoe zelfstandig bevoegd wordt gesteld. Tevens vordert zij een verbod aan de vader om de BSO-plaats van het kind te beëindigen. De vader verzet zich en vraagt om afwijzing van de vorderingen, met het verzoek om een zorgvuldige en terughoudende aanpak.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het in het belang van het kind is dat hij op korte termijn naar een passende zorg-onderwijscombinatie gaat. De vader heeft onvoldoende concrete bezwaren tegen de voorgestelde opties en heeft nagelaten tijdig voorkeuren door te geven, waardoor verdere vertraging ontstaat. De rechter verleent daarom vervangende toestemming aan de moeder voor inschrijving bij een van de voorgestelde scholen. De vordering met betrekking tot de BSO wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat de vader handelingen heeft verricht om de plaats te beëindigen.
De kosten van het geding worden ieder voor eigen rekening gelaten, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op 23 maart 2026 uitgesproken.
Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming voor inschrijving van het kind bij een zorg-onderwijscombinatie zonder toestemming van de vader.