Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10206

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL26.5602
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: onvoldoende motivering bij afwijzing asielverzoek Syriër wegens risico artikel 3 EVRM

Eiser, een Syrische sjiiet, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verweerder oordeelde dat eiser geen persoonlijk risico liep op vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Syrië, mede omdat sjiieten geen risicoprofiel vormen en de humanitaire situatie niet door actieve strijdende partijen wordt veroorzaakt.

Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn geloof en illegale uitreis risico loopt op represailles en willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie verslechterd is door het Assad-regime. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht vond dat eiser geen persoonlijke vrees voor vervolging had, maar dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank benadrukte dat de beoordeling van artikel 3 EVRM Pro autonoom is en dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de humanitaire crisis niet in overwegende mate door de strijdende partijen wordt veroorzaakt. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in een schrijnende situatie terechtkomt, mede gelet op zijn gebrek aan woonruimte en de omvang van de kwetsbare bevolking in zijn regio.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het asielverzoek wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risico op schending van artikel 3 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5602

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser heeft geen persoonlijke problemen ondervonden, maar hij vreest bij terugkeer naar Syrië omdat hij sjiitisch is en omdat hij illegaal Syrië is uitgereisd.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
dat eiser sjiitisch is.
4. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft namelijk geen persoonlijke problemen naar voren gebracht. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht [1] dat er in Syrië vrijheid van godsdienst is. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Syrië vrees voor vervolging heeft, omdat hij sjiitisch is. Ook vindt verweerder dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft namelijk aangevoerd dat hij vreest vanwege zijn illegale uitreis, maar dit is formeel niet langer strafbaar in Syrië. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt waarom hij wel problemen zal ondervinden bij de grens bij terugkeer en hij heeft zijn vrees enkel gebaseerd op vermoedens. Tot slot vindt verweerder dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er in het individuele geval van eiser omstandigheden zijn waardoor hij meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Allereerst heeft verweerder ten onrechte de ernst van eisers situatie miskend. Eiser is namelijk al gevlucht van [plaats 1] naar [plaats 2] , omdat hij sjiiet is. Sjiieten worden daarnaast geassocieerd met Hezbollah of door Iran gesteunde milities en lopen daarom het risico op represailles vanwege de val van het vorige regime. Verder heeft verweerder ten onrechte onvoldoende onderzoek verricht naar de risico’s die eiser loopt als sjiiet bij terugkeer naar Syrië, omdat verweerder zelf aangeeft dat de situatie precair is. In het kader van artikel 15c van de kwalificatierichtlijn heeft verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende meegewogen en het behoren tot de sjiieten moet worden gezien als een onderdeel dat het risico op willekeurig geweld groter maakt. Tot slot zijn de humanitaire omstandigheden door het regime van Assad verslechterd. Dit moet worden betrokken bij de 15c-beoordeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat eiser geen vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft, omdat hij sjiitisch is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser niet op individuele basis in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging, omdat hij geen persoonlijke problemen naar voren heeft gebracht. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte de ernst van eisers situatie miskend, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er in het bestreden besluit namelijk op gewezen dat niet wordt betwist dat de situatie van sjiieten in Syrië precair kan zijn, maar dat eiser zijn vrees voor vervolging met persoonlijke feiten of omstandigheden moet onderbouwen. De informatie uit het meest recente ambtsbericht [3] maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft er op mogen wijzen dat uit de landeninformatie niet blijkt dat eiser persoonlijk problemen zal ondervinden. Eiser heeft daarbij niet nader onderbouwd dan wel geconcretiseerd dat hij persoonlijk risico zal lopen als sjiiet. Eisers stelling dat sjiieten moeten worden aangemerkt als risicoprofiel, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk onvoldoende onderbouwd waarom sjiieten moeten worden aangemerkt als risicoprofiel.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [4] , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [5] Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [6] De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [7] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [8]
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten eerste mogen vinden dat [plaats 2] voor eiser kan worden aangemerkt als plaats van bestendig verblijf, nu hij daar langdurig – sinds 2016 – heeft verbleven met zijn familie en nu eiser en zijn familie daar een woonruimte hadden. Verweerder heeft vervolgens uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats 2] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt dat er sprake was van een laag aantal geweldsincidenten, dat gedurende de gehele verslagperiode min of meer gelijk bleef, met een lichte dip in november 2025. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. [9] In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats 2] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 ontheemden terug naar [plaats 2] . [10]
8.2.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het algemeen ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. [11] Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. [12]
8.3.
Uit de door eiser overgelegde landeninformatie volgt niet dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in [plaats 2] veroorzaken en/of in stand houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat er verband is tussen het geweld van de huidige strijdende partijen en de slechte humanitaire omstandigheden in [plaats 2] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats 2] .
8.4.
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt omdat hij Sjiiet is, maar deze omstandigheid houdt verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7 al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat hij sjiiet is. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat hij geen woning heeft en als jonge man meer risico loopt. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom hij daardoor meer risico zou lopen op willekeurig geweld.
Artikel 3 van Pro het EVRM
9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [13] . [14] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [15]
9.1.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [16] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
9.2.
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [17] Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld. Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ [18] Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van Pro het EVRM autonoom plaatsvinden.
9.4.
Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Eiser heeft er op gewezen dat hij bij terugkeer naar Syrië geen woonruimte heeft. Verder staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement [plaats 2] geldt dat 44% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn. Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar [plaats 2] in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. De enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [19]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 26 januari 2026;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemeen Ambtsbericht Syrië, mei 2025, pagina 91.
2.Richtlijn 2011/95/EU
3.Algemeen ambtsbericht Syrië, januari 2026.
4.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
5.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
6.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
7.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
8.Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
9.Algemeen ambtsbericht Syrië, januari 2026, pagina 39.
10.Algemeen ambtsbericht Syrië, januari 2026, pagina 39.
11.Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.
12.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, pagina 58.
13.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
15.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
16.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
17.Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).
18.Arrest Sufi en Elmi, punt 283.
19.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.