Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10171

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL25.53751
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 42 VwArt. 43 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag Iran onder besluitmoratorium

Eiser, van Iraanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 20 maart 2024. Na een eerdere gegronde uitspraak over het niet tijdig beslissen, is een besluitmoratorium voor Iraanse vreemdelingen van kracht geworden, waardoor de beslistermijn is verlengd tot maximaal 21 maanden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat het een opvolgend beroep betreft en geen tweede ingebrekestelling vereist is. Hoewel het besluitmoratorium van toepassing is op de asielaanvraag, is de uiterste termijn van 21 maanden overschreden op 20 december 2025, waardoor het beroep kennelijk gegrond is.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53751

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Eiser heeft op 3 november 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 20 maart 2024.
Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 24 april 2025 is het eerste beroep (zaaknummer NL25.14769) tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nader gehoor te houden op de aanvraag. Voorts is verweerder opgedragen om, als de aanvraag van eiser overgaat naar de verlengde asielprocedure, binnen acht weken na het nader gehoor op de aanvraag te beslissen en in ieder geval binnen zestien weken na deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De beslistermijn zou daarom op 20 september 2024 datum eindigen.
3. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben. Nadat eiser beroep heeft ingesteld, is een voor Iraanse vreemdelingen geldend besluitmoratorium in werking getreden.
4. Op grond van artikel 2 van Pro het Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 maart 2026, [nummer] tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran, wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van Pro de Vw, voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden.
5. Het betreft hier een opvolgend beroep. Er is geen tweede ingebrekestelling nodig, waardoor er is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het beroep ontvankelijk is.
6. Op de datum van het van kracht worden van het besluitmoratorium was nog niet beslist op de asielaanvraag van eiser. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van Pro de Vw is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Daaronder zijn ook begrepen asielaanvragen waarvoor de beslistermijn al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium. Het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig beslissen had, aldus deze totstandkomingsgeschiedenis, ongegrond verklaard kunnen worden omdat het besluitmoratorium inmiddels van toepassing is. [1] De rechtbank wijst ook op de rechtspraak van de Afdeling [2] die hierop ziet.
7. Echter is de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn overschreden op 20 december 2025. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
8. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond.
9. Omdat ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling het besluitmoratorium nog niet van kracht was, en eiser terecht beroep heeft ingediend, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [3] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op om binnen twee weken een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 7.
2.Zie rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.