ECLI:NL:RBDHA:2026:10137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL26.21088
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59.1.a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 31 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Tunesische nationaliteit, heeft hiertegen beroep ingesteld dat tevens geldt als verzoek om schadevergoeding.

De minister baseerde de maatregel op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Zware gronden waren onder meer het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet naleven van terugkeerplicht. Lichte gronden betroffen onder meer het niet naleven van andere verplichtingen, meerdere afgewezen verblijfsaanvragen, het ontbreken van vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft geen tegenargumenten aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel. De rechtbank heeft ambtshalve geen onrechtmatigheden vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21088

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. J. Singh,
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser is uitgenodigd uiterlijk op 22 april 2026 om 12:00 uur de gronden van het beroep in te dienen. De minister is in de gelegenheid gesteld uiterlijk 23 april 2026 om 17:00 uur hier op te reageren. Eiser en de minister hebben hier niet op gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 24 april 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen (het voortduren van) de maatregel van bewaring.
4. De rechtbank is ook ambtshalve niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel onrechtmatig is. [1]
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.