ECLI:NL:RBDHA:2026:10136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL26.20762
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 VWEUArt. 21 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding wegens intrekking EU-verblijfsrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Roemeense nationaliteit, stelde dat hij als EU-burger vrij mocht reizen en slechts als passant in Nederland verbleef. De maatregel werd echter op 20 april 2026 opgeheven.

De rechtbank behandelde het beroep op 23 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De beoordeling richtte zich op de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend. De rechtbank oordeelde dat het EU-verblijfsrecht van eiser in 2023 was ingetrokken en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat dit was hersteld.

De minister had terecht zware gronden aangevoerd, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van vertrekplicht. Ook lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan werden erkend. De rechtbank vond dat geen lichter middel dan bewaring passend was gezien de omstandigheden.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20762

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. S. Guman,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 20 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde.
De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat er geen grond is voor de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij de Roemeense nationaliteit bezit en dus EU-onderdaan is. Op grond van artikel 20 en Pro 21 van de VWEU heeft hij het recht om vrij te reizen in de EU. Hij wenst gebruik te maken van rechten als een EU-burger om door te reizen en enkele dagen in Nederland te verblijven als een toerist. Hij is maar een passant waardoor er nimmer sprake kan zijn van een daadwerkelijke en effectieve beëindiging. Eiser heeft verder ook geen intentie om sterke banden met Nederland te hebben, dus langer verblijf van meer dan drie weken of maanden wordt niet beoogd.
4.1
De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Eisers EU-verblijfsrecht is in 2023 ingetrokken en eiser, die al twee keer eerder is uitgezet, wordt geacht te weten dat hij de banden met Nederland effectief moet verbreken. Het besluit waarmee eisers EU-verblijfsrecht is ingetrokken geldt dan ook nog steeds. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser betwist de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden, met uitzondering van de lichte gronden 4d en 4e.
5.1
De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3b en 3c en de lichte gronden onder 4a en 4c aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland omdat zijn EU-verblijfsrecht in 2023 is ingetrokken. Ook is het feitelijk juist dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn illegaal verblijf bij de korpschef, waardoor hij zich aan het toezicht heeft onttrokken Verder staat eiser niet ingeschreven in het BRP. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden en de niet betwiste gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan en eiser de mogelijkheid had moeten krijgen om zelfstandig naar Roemenië af te reizen.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dit temeer nu eiser geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Eiser is sinds de oplegging van het verwijderingsbesluit van 30 mei 2023 tweemaal uitgezet en is weer in Nederland aangetroffen. Het lichtere middel weegt niet op tegen het risico dat de eiser bij het niet opleggen van bewaring zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.