Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
09.295063.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontploffing en mensenhandel minderjarigen met 42 maanden gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van een ontploffing bij een tabakszaak waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omstanders bestond. Daarnaast is verdachte schuldig bevonden aan mensenhandel door criminele uitbuiting van twee minderjarige jongens, die via Snapchat werden geworven en ingezet voor risicovolle strafbare feiten.

Het bewijs bestond uit onder meer Snapchat-gegevens gekoppeld aan telefoonnummers en IP-adressen van verdachte, getuigenverklaringen en communicatie tussen verdachte en minderjarigen. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust en nauw samenwerkte met medeverdachten en de minderjarigen gebruikte om zelf risico's te vermijden.

De rechtbank verwierp het verzoek tot toepassing van het jeugdstrafrecht en legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, met aftrek van voorarrest. De materiële schadevergoeding wegens misgelopen huurgenot van het pand werd toegewezen, terwijl overige materiële en immateriële schadevorderingen niet-ontvankelijk werden verklaard. Tevens werd een telefoonautomaat verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf en deels toegewezen materiële schadevergoeding wegens medeplegen ontploffing en mensenhandel minderjarigen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/295063-25
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 27 januari 2026 (pro forma) en 15 april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.S. Boonstra naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 november 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meerdere stuk(ken) zwaar vuurwerk voor/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid van de tabakszaak aan de [adres 2] , in contact te brengen met open vuur, waardoor dit vuurwerk aldaar tot onploffing kwam, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de voorgevel van de tabakszaak aan de [adres 2] en/of naburige woningen en/of panden en/of goederen die zich in die tabakszaak en/of die woningen en/of panden bevonden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, te weten de in die naburige woningen aanwezige personen en/of personen die zich in de nabijheid van de [adres 2] bevonden (onder andere voorbijgangers);
2.
hij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2025 tot en met 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, een ander of anderen, te weten [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2] 2008), (telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] , terwijl die [minderjarige 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;
immers heeft verdachte:
- die [minderjarige 1] via Snapchat benaderd met de opdracht om een ander persoon te bedreigen (met een vuurwapen) en/of hem te slaan en/of hem de ontvangst van enig geldbedrag (ter hoogte van EUR 500) in het vooruitzicht gesteld voor het succesvol uitvoeren van die opdracht
- die [minderjarige 1] een vuurwapen (te weten alarmpistool) verstrekt;
3.
hij, in of omstreeks de periode van 31 oktober 2025 tot en met 2 november 2025 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, een ander of anderen, te weten [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3] 2008), (telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 2] , terwijl die [minderjarige 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;
immers heeft verdachte:
- die [minderjarige 2] via Snapchat benaderd met de opdracht om een explosief te plaatsen en/of hem de ontvangst van enig geldbedrag (ter hoogte van EUR 350) in het vooruitzicht gesteld voor het succesvol uitvoeren van de opdracht,
- hem de explosieven verstrekt, dan wel laten verstrekken,
- hem de opdracht gegeven filmopnames te maken van de explosie.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Tijdens het onderzoek van de politie komt naar voren dat de gebruiker van het Snapchataccount ‘ [account 1] ’ zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing bij de tabakszaak op 1 november 2025 (feit 1) en het crimineel uitbuiten van de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ) in de periode van 31 oktober tot en met 2 november 2025 door hem te werven en aan te sturen (feit 3).
Verder komt in het politieonderzoek naar voren dat de gebruiker van het Snapschataccount zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan het crimineel uitbuiten van de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 2 oktober 2025, door hem via Snapchat te werven en aan te sturen (feit 2).
Betrokkenheid van de verdachte
De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verdachte, ten tijde van de feiten, de gebruiker van de Snapchataccounts was. De verdachte heeft immers verklaard dat hij deze accounts wel heeft aangemaakt en gebruikte, maar dat deze accounts ook bij andere mensen in gebruik zijn geweest en dat hij niet de gebruiker was van de accounts op het moment van verdenkingen.
Is de verdachte de gebruiker van [account 1] rondom de ontploffing bij de tabakszaak?
Ten aanzien van het account [account 1] stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Uit de Snapchatgegevens blijkt dat aan het account [account 1] het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld. Dit telefoonnummer is sinds 25 augustus 2025 gekoppeld aan de verdachte en blijkt ook in gebruik op een IPhone 12 die bij de aanhouding van de verdachte is aangetroffen op het bed waarop hij lag. Uit het onderzoek aan deze telefoon zijn verder gebruikersnamen en gegevens aangetroffen die zien op de verdachte, waaronder het adres van zijn vader. Ook is er een selfie aangetroffen die op meerdere punten overeenkomt met een SKDB-foto van de verdachte. Een verbalisant heeft de verdachte herkend als de persoon op deze afbeelding. Daarnaast blijkt dat het IP-adres dat gebruikt werd op het moment dat dit account is aangemaakt, herleidbaar is tot het woonadres van de verdachte. De IP-adressen waarmee daarna meermalen is in- en uitgelogd, blijken te zijn gekoppeld aan het woonadres van de moeder van de verdachte en die van een kennis van de verdachte. Dit past bij gebruik van het Snapchataccount binnen de directe leefomgeving van de verdachte.
Voorafgaand aan het incident is in de avond van 31 oktober 2025 meerdere malen in- en uitgelogd op het Snapchataccount waarbij gebruik is gemaakt van het IP-adres behorend bij het BRP-adres van de verdachte en ten tijde van het incident in de nacht van 1 november 2025 is in- en uitgelogd terwijl gebruik werd gemaakt van een IP-adres behorend bij het adres van een persoon die volgens de politie een bekende is van de verdachte. Rond het moment van de ontploffing op 1 november 2025 bij de tabakswinkel is door de gebruiker van het account [account 1] gecommuniceerd met de persoon die de ontploffing teweeg heeft gebracht (medeverdachte [minderjarige 2] ), zijn door die gebruiker instructies gegeven en wordt acht minuten voor de ontploffing de hiervoor genoemde selfie gemaakt op de IPhone 12.
Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account [account 1] , ook op het moment dat daarmee gecommuniceerd wordt met [minderjarige 2] wanneer hij de ontploffing bij de tabakszaak teweegbrengt. De stelling van de verdachte dat een ander het account heeft gebruikt is niet onderbouwd en blijkt ook anderszins op geen enkele manier uit het dossier.
Is de verdachte de gebruiker van [account 2] op 1 en 2 oktober 2025?
Uit de gegevens horende bij het account [account 2] blijkt dat ook aan dit account het telefoonnummer [telefoonnummer] van de verdachte gekoppeld is, dat naam- en e-mailgegevens van de verdachte daaraan gekoppeld zijn en dat diverse locatiegegevens van het account wanneer dit account gebruikt wordt, overeenkomen met het BRP-adres van de verdachte. Met dit account is in een chatgesprek met [minderjarige 1] een filmpje gestuurd waarin een jongen in beeld is, die als de verdachte wordt herkend.
Bovendien heeft [minderjarige 1] verklaard dat de persoon die hem zou hebben geworven om een bedreiging en mishandeling te plegen, [verdachte] was die woont op de [adres 1] in de portiek [nummers] . Dit is het portiek waar de vader van de verdachte woont en waar de verdachte soms verblijft.
Gelet op al deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de verdachte ook de gebruiker is geweest van het account [account 2] , ten tijde van de verdenking. Ook hier geldt dat de stelling van de verdachte, dat een ander het account heeft gebruikt, niet onderbouwd is en ook anderszins op geen enkele manier blijkt uit het dossier.
Ten aanzien van feit 1: ontploffing tabakszaak
Medeplegen ontploffing
Vast staat dat op 1 november 2025 in Den Haag, door middel van het afsteken van zwaar vuurwerk (Cobra 6), een ontploffing heeft plaatsgevonden bij de tabakszaak aan de [adres 2] en dat deze ontploffing teweeg is gebracht door medeverdachte [minderjarige 2] .
Uit de Snapchatgesprekken tussen [minderjarige 2] en de verdachte (gebruikmakend van het account [account 1] ) volgt dat de verdachte aan [minderjarige 2] de opdracht heeft gegeven om een Cobra 6 te plaatsen. Daarnaast heeft de verdachte gefaciliteerd dat [minderjarige 2] de Cobra 6 kreeg en heeft hij hem voorzien van informatie over de locatie. Verder blijkt dat de verdachte en [minderjarige 2] zowel kort vóór als direct ná de ontploffing veelvuldig contact hebben gehad over de uitvoering. De verdachte heeft [minderjarige 2] er expliciet aan herinnerd dat hij de ontploffing moest filmen. [minderjarige 2] heeft hieraan gehoor gegeven en de door hem gemaakte beelden direct na de ontploffing naar de verdachte verstuurd.
Dat de verdachte op enig moment informatie moest vragen bij een onbekend gebleven persoon, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan zijn rol. Het is immers de verdachte geweest die de relevante informatie en het zware vuurwerk aan [minderjarige 2] heeft verstrekt. Zonder deze bijdrage van de verdachte had [minderjarige 2] de ontploffing niet teweeg kunnen brengen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte vast is komen te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing.
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank dient ook te beslissen over welk gevaar door de ontploffing is veroorzaakt en naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Uit de vakbijlage in het dossier blijkt dat het ontploffen van een Super Cobra 6 niet alleen tot schade aan goederen, maar in directe nabijheid ook tot dodelijk letsel kan leiden. Bij een wat grotere afstand is er nog steeds een gevaar voor personen in de vorm van brandwonden, gehoorschade, of letsel door rondvliegende scherven of ander materiaal.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zich boven en rondom de tabakszaak woningen bevonden en dat meerdere personen in de buurt waren van de ontploffing. Er waren voorbijgangers in de straat, zowel op de fiets als in de auto, en er zaten mensen op een nabijgelegen terras.
Gelet op het bovenstaande was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de ontploffing levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel te duchten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3: criminele uitbuiting
In het hierna volgende gaat de rechtbank uit van hetgeen is gebleken uit de bewijsoverwegingen hierboven, alsmede hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt, namelijk dat de verdachte gebruikmakend van het Snapchataccount [account 1] aan de medeverdachte [minderjarige 2] € 350,- in het vooruitzicht heeft gesteld als hij een ontploffing teweeg zou brengen en dat de verdachte gebruikmakend van het Snapchataccount [account 2] aan [minderjarige 1] € 500,- in het vooruitzicht heeft gesteld, als hij een bedreiging en een mishandeling zou plegen.
Juridisch kader criminele uitbuiting van minderjarigen
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr stelt uitbuiting van minderjarigen strafbaar. Voor een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van dit artikel dient te zijn voldaan aan een drietal elementen. Ten eerste moet sprake zijn van een minderjarige. De leeftijd van het slachtoffer is door de wetgever geobjectiveerd, wetenschap bij de verdachte van de leeftijd is niet vereist. Ten tweede moet worden vastgesteld dat er sprake is van (een) feitelijke handeling(en) genoemd in het artikel en ten derde moet worden vastgesteld of verdachte hierbij het oogmerk van uitbuiting had. Dwangmiddelen zijn in dit geval niet vereist. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Dat de minderjarigen mogelijk met het plegen van de strafbare feiten hebben ingestemd en/of dat hieraan ook van hun kant een zelfstandig wilsbesluit aan is voorafgegaan, doet aan het vorenstaande niet af.
Criminele uitbuiting van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt afdoende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] minderjarig waren toen zij werden benaderd voor het plegen van strafbare feiten. Aan dit bestanddeel is dus voldaan.
Verder kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] via Snapchat zijn geworven door de verdachte. Voor de uitvoering van deze diensten zijn beide minderjarigen de ontvangst van een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld.
Het oogmerk van uitbuiting bestaat in dit geval uit de delegatie van risico, dat voor uitvoerders zoals [minderjarige 2] en [minderjarige 1] over het algemeen veel groter is. De beperkte duur van de strafbare activiteit – die op zichzelf genomen al niet aan het aannemen van een oogmerk tot uitbuiting in de weg staat – wordt in dit geval ruimschoots gecompenseerd door de aard van die gedraging. Daarin weegt zwaar mee dat het gaat om het doen verrichten van een criminele activiteit, hetgeen van een andere orde is dan het doen verrichten van legale werkzaamheden. Van [minderjarige 2] werd immers verlangd dat hij een ontploffing teweeg zou brengen bij een tabakszaak en van [minderjarige 1] werd verlangd dat hij een hem onbekende zou bedreigen en slaan. Beide situaties brachten (levens)gevaar voor zichzelf en andere personen met zich mee.
Daarnaast kan vanuit het perspectief van de verdachte als voordeel worden beschouwd dat hij, door het inzetten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de risicovolle opdrachten, zelf het risico van aanhouding door de politie en het risico op ernstig letsel kon ontlopen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn geworven voor het plegen van strafbare feiten, met het oogmerk van uitbuiting.
Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 1 november 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een stuk zwaar vuurwerk tegen de voordeur van de tabakszaak aan de [adres 2] , in contact te brengen met open vuur, waardoor dit vuurwerk aldaar tot
ontploffingkwam, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de voorgevel van de tabakszaak aan de [adres 2] en naburige woningen en panden en goederen die zich in die tabakszaak en die woningen en panden bevonden en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, te weten de in die naburige woningen aanwezige personen en personen die zich in de nabijheid van de [adres 2] bevonden (onder andere voorbijgangers);
2.
hij in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 2 oktober 2025 te 's-Gravenhage, een ander, te weten [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2] 2008), heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] , terwijl die [minderjarige 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;
immers heeft verdachte:
- die [minderjarige 1] via Snapchat benaderd met de opdracht om een ander persoon te bedreigen (met een vuurwapen) en hem te slaan en hem de ontvangst van enig geldbedrag (ter hoogte van EUR 500) in het vooruitzicht gesteld voor het succesvol uitvoeren van die opdracht;
3.
hij in de periode van 31 oktober 2025 tot en met
1november 2025 te 's-Gravenhage, een ander, te weten [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3] 2008), heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 2] , terwijl die [minderjarige 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;
immers heeft verdachte:
- die [minderjarige 2] via Snapchat benaderd met de opdracht om een explosief te plaatsen en hem de ontvangst van enig geldbedrag (ter hoogte van EUR 350) in het vooruitzicht gesteld voor het succesvol uitvoeren van de opdracht,
- hem de explosieven verstrekt, dan wel laten verstrekken,
- hem de opdracht gegeven filmopnames te maken van de explosie.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd door hem in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen gelet op de leeftijd en de ontwikkeling van de verdachte. Volgens de verdediging heeft de verdachte in dat geval het onvoorwaardelijke deel van de straf reeds in voorlopige hechtenis ondergaan. Subsidiair is verzocht om, indien dat niet voldoende wordt geacht, een aanvullende voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte heeft via Snapchat de minderjarige medeverdachte de opdracht gegeven om voor € 350,- een Cobra 6 te plaatsen. In slechts een paar uur tijd was de opdracht al uitgevoerd. De medeverdachte heeft met behulp van de verdachte het zware vuurwerk in handen gekregen en heeft aanwijzingen gekregen waar hij vervolgens heen moest gaan. De medeverdachte heeft het vuurwerk op de ruit van de deur geplaatst en terwijl er nog mensen in de buurt waren, heeft hij het laten ontploffen. Dat er op dat moment geen voorbijgangers of mensen in de omgeving zijn geraakt door glasscherven, is meer geluk dan wijsheid geweest. Ook heeft de verdachte niet stilgestaan bij het effect van explosies op het gevoel van onveiligheid in de straat en in de buurt, en in het bijzonder bij de eigenaar van de tabakszaak persoonlijk, die zijn tabakszaak tijdelijk heeft moeten sluiten. De verdachte heeft hoogstwaarschijnlijk zelf snel geld willen verdienen en heeft zijn eigen risico beperkt door een minderjarige in te zetten.
Verder benadrukt de rechtbank dat de Haagse regio de afgelopen jaren wordt geteisterd door een golf aan gevaarzettende explosies wat al langere tijd leidt tot groeiende gevoelens van onzekerheid, angst, en intimidatie. Aan deze gevoelens heeft de verdachte met zijn gedragingen een wezenlijke bijdrage geleverd. Het voorgaande weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Door twee minderjarige jongens in te zetten voor de uitvoering van de ontploffing en het voornemen om iemand te bedreigen, heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel.
In beide gevallen werden de minderjarige jongens door de verdachte ingezet voor het uitvoeren van risicovolle strafbare feiten. In één geval is een minderjarige jongen ingezet om zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen en in een ander geval heeft de verdachte een minderjarige ingezet om iemand te bedreigen en te slaan. Door voor deze klussen minderjarigen in te zetten, heeft de verdachte het risico om door de politie aangehouden te worden en het risico dat hijzelf letsel zou oplopen bij uitvoeren van die klussen volledig bij die minderjarigen gelegd.
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat er in de afgelopen jaren een aanzienlijke stijging van het aantal geregistreerde gevallen van criminele uitbuiting is. De aandacht voor het onderwerp en de strafrechtelijke aanpak daarvan is in de laatste jaren ook sterk toegenomen. Om zelf buiten beeld te blijven van de politie, zetten criminelen stelselmatig kwetsbare minderjarige jongeren in die de meest risicovolle opdrachten voor hen uitvoeren. De minderjarigen kunnen de gevolgen van hun handelen vaak moeilijk overzien en door hen voor te houden dat ze snel en makkelijk geld kunnen verdienen en in te spelen op hun kwetsbaarheid en afhankelijkheid kunnen zij makkelijk worden verleid tot het plegen van strafbare feiten.
Deze vorm van uitbuiting kan ernstige en langdurige sociale, fysieke en psychische gevolgen hebben voor de minderjarigen. Daarnaast kunnen er ook strafrechtelijke gevolgen voor hen zijn. In dit geval is de rechtbank ermee bekend dat inmiddels in ieder geval één van de minderjarigen door de kinderrechter is veroordeeld voor zijn aandeel. De rechtbank acht het op deze manier brengen van minderjarigen binnen de criminaliteit zeer kwalijk.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en daarmee geen verantwoordelijk neemt voor zijn daden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 31 maart 2026. De reclassering schat de kans op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden als hoog in. De verdachte is eerder veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten en eerdere interventies en voorwaardelijke straffen hebben dit niet kunnen doen voorkomen. Er bestaan bij de verdachte problemen op bijna alle leefgebieden. De reclassering ziet echter geen mogelijkheden om de risico's met interventies of toezicht te beperken of het gedrag te veranderen. De verdachte heeft namelijk al een geruim aantal behandelmogelijkheden aangeboden gekregen, maar hij was niet afdoende gemotiveerd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden. Ook adviseert de reclassering het volwassenstrafrecht toe te passen.
De verdachte was ten tijde van de feiten 18 jaar. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van de strafbare feiten meerderjarig is, maar nog geen 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte (zoals pedagogische beïnvloedbaarheid) of wanneer de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd daartoe aanleiding geven. De rechtbank ziet daar, anders dan de verdediging, geen aanleiding toe. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het advies van de reclassering, waaruit volgt dat de verdachte zich kenmerkt als berekenend en zelfbepalend en weinig beïnvloedbaar is door ouders of hulpverlenende instanties. Daarnaast weegt de rechtbank de aard en ernst van de feiten mee, die een toepassing van het jeugdstrafrecht niet rechtvaardigen, maar juist een contra-indicatie zijn. Gelet hierop zal de rechtbank het volwassenstrafrecht toepassen.
Hoewel de rechtbank het volwassenstrafrecht toe zal passen, sluit zij de ogen niet voor het feit dat de verdachte ten tijde van de feiten net 18 jaar oud was. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het leeftijdsverschil tussen de verdachte en de minderjarige uitvoerders beperkt was. Deze omstandigheden leiden ertoe dat de rechtbank de jonge leeftijd van de verdachte in strafverlagende zin zwaarder laat meewegen dan de officier van justitie heeft gedaan, en dus tot een lagere gevangenisstraf komt dan door de officier van justitie is geëist.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Feit 1: ontploffing tabakszaak
[benadeelde] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. S. van der Eijk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij vordert als schadevergoeding een bedrag van € 54.061,71, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 1.000,- voor immateriële schade en een bedrag van € 53.061,71 aan materiële schade.
De immateriële schade bestaat uit psychisch letsel van het slachtoffer.
De materiële schade bestaat uit financiële posten, zoals de misgelopen omzet, winst en ook gederfd huurgenot doordat de tabakszaak als gevolg van de ontploffing op last van de burgemeester is gesloten voor een periode van drie maanden. Mocht de rechtbank deze schade niet kunnen schatten of vaststellen, dan vordert de benadeelde partij de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 12.000,- en hem voor het overige niet- ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
Indien geen vergoeding vanwege omzet- en winstderving kan worden toegekend, vordert de benadeelde partij een bedrag van € 5.550,- toe te wijzen, vanwege verlies van het huurgenot van het winkelpand voor drie maanden aangezien de huur € 1.850,- per maand bedraagt.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 835,50 aan materiële schade en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 835,50 aan materiële schade kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Het bewezenverklaarde levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens het slachtoffer. De schade die het slachtoffer als direct gevolg daarvan lijdt, moet de verdachte in beginsel aan hem vergoeden.
Immateriële schade
Als een slachtoffer als gevolg van een strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt, is sprake van een ‘aantasting in de persoon’ als bedoeld in artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De benadeelde partij moet stellen en zo nodig onderbouwen dat van geestelijk letsel - naar objectieve maatstaven - sprake is.
In het geval van het slachtoffer kan de rechtbank niet vaststellen dat van dergelijk letsel sprake is. Het slachtoffer heeft niet voldoende onderbouwd dat van het gestelde psychisch letsel naar objectieve maatstaven sprake is. De aard en ernst van de normschending zouden in beginsel een vergoeding van geestelijk letsel rechtvaardigen indien de verdachte in of bij het pand aanwezig was ten tijde van de explosie. Gelukkig was dit niet het geval, wat naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dat het slachtoffer een nadere onderbouwing van het geestelijk letsel geeft.
Dat gevoelens van onrecht, onrust, angst en/of machteloosheid bij het slachtoffer zijn ontstaan, is op zichzelf begrijpelijk. De drempel voor het aannemen van immateriële schade die voor vergoeding door de verdachte in aanmerking komt, ligt echter hoger. Bij gebreke van nadere onderbouwing zal de rechtbank het deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft in beginsel recht op vergoeding van schade, voor zover die schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde door de verdachte gepleegde strafbare feit.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de sluiting van de tabakszaak voor de duur van de gehele drie maanden in rechtstreeks verband staat met de ontploffing. De advocaat van de benadeelde partij heeft daartoe tijdens de terechtzitting enkele nieuwe stukken overhandigd behorend bij het bezwaarschrift tegen de sluiting van de tabakszaak, dat is ingediend bij de gemeente Den Haag. Daaruit blijkt dat de burgemeester heeft besloten om het pand voor drie maanden te sluiten teneinde de verstoring van de openbare orde te beëindigen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren, een signaal af te geven dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn, en de kans op herhaling te verkleinen. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de sluiting van de tabakszaak het rechtstreeks gevolg is van de ontploffing, welke ontploffing mogelijk zijn grondslag vindt in een onderliggend conflict. In deze procedure is tevens voldoende onderbouwd dat de voortzetting van de sluiting verband houdt met de ontploffing en een onderliggend conflict. Dat met de voortzetting van de sluiting van de tabakszaak ook andere doelstellingen werden nagestreefd, doet er niet aan af dat er een rechtstreeks verband is tussen de (voortzetting van de) sluiting van de tabakszaak en het misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank dient daarom de schade die ten gevolge daarvan is geleden, door de verdachte te worden vergoed. De rechtbank zal hierna deze schade, voor zover mogelijk, begroten.
Gederfde inkomsten
Ter onderbouwing van de gederfde inkomsten is door de benadeelde partij een enkele btw-aangifte over het voorgaande kwartaal overgelegd en een brancherapport met gemiddelde winstmarges. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij deze schade, gelet op de betwisting van de schade door de verdediging, niet voldoende heeft onderbouwd en zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Huurkosten
Met betrekking tot het gemiste huurgenot is de rechtbank van oordeel dat deze schade wel voldoende is onderbouwd. Het slachtoffer heeft tijdens de sluiting immers geen gebruik kunnen maken van het door hem gehuurde pand terwijl hij wel de huur moest betalen. De sluiting van de zaak voor een periode van drie maanden, is het rechtstreeks gevolg geweest van de ontploffing. Het gemiste huurgenot dat voor vergoeding in aanmerking komt kan worden begroot op de huurprijs die voor die periode van drie maanden is betaald. Die uitgaven missen hun doel en dat is te wijten aan de verdachte. De rechtbank stelt deze schade dan ook vast op driemaal de maandelijkse huurprijs van € 1.850,- voor de maanden november, december en januari derhalve op een bedrag van € 5.550, -.
De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 5.550,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025, omdat de verdachte op die dag onrechtmatig heeft gehandeld en het slachtoffer de maandelijkse huurprijs bij vooruitbetaling verschuldigd is.
Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.550,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] .
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte (hoofdelijk) veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp.
8.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, 1 STK telefoonautomaat, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 33, 33a, 36f, 47, 57, 157 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 2 en 3:
telkens: mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
42 (tweeënveertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 5.550,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.550,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 52 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:
1 STK Telefoonautomaat
(Omschrijving: Zwart, merk: Apple).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en M. den Besten, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.