ECLI:NL:RBDHA:2026:10132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL26.20239
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 23 april 2026.

De minister motiveerde de maatregel met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Zware gronden betroffen onder meer het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan vaststelling identiteit en het niet naleven van terugkeerplicht. Lichte gronden betroffen onder meer het ontbreken van vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser voerde aan dat zijn recht op rechtsbijstand was geschonden omdat voorafgaand aan het gehoor een piketmelding was verzonden zonder eerst te vragen naar een voorkeursadvocaat, wat volgens hem in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat eiser op het moment van het gehoor geen bezwaar had tegen het doorgaan zonder zijn advocaat en dat hij in het verdere proces wel degelijk werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De gronden voor de maatregel werden niet betwist en werden als voldoende beoordeeld.

De rechtbank zag geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20239

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. V. Senczuk,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft aangevoerd dat er een schending is geweest van zijn recht op rechtsbijstand. Voorafgaand aan het gehoor voor de inbewaringstelling is een piketmelding verzonden, terwijl de gemachtigde van eiser de voorkeursadvocaat is. Volgens eiser wordt ten onrechte niet eerst gevraagd naar een voorkeursadvocaat en pas daarna, zo nodig, een piketmelding gedaan. Het beleid dienaangaande is in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
3.1
De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van het gehoor staat dat op 9 april 2026, om 06:58 uur uur, een piketmelding is verzonden. Deze piketmelding is gedaan voorafgaand aan het gehoor, dat plaatsvond om 09:37 uur. Verder volgt uit het proces-verbaal dat de piketmelding door mr. [naam] is geaccepteerd en dat deze telefonisch heeft medegedeeld dat mr. V. Senczuk eisers advocaat is. Vervolgens is geprobeerd telefonisch contact te krijgen met mr. Senczuk, maar dat is niet gelukt. Aan eiser is gevraagd of hij wil wachten totdat zijn advocaat wel kan worden bereikt of dat kan worden aangevangen met het gehoor. Eiser heeft aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft om het gehoor zonder advocaat te doen.
In paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat de minister een vreemdeling tijdig in kennis moet stellen van het recht om in het bijzijn van een advocaat te worden gehoord. Uit het beleid volgt niet expliciet dat de minister gehouden is om uit zichzelf na te gaan of de vreemdeling al dan niet een voorkeursadvocaat heeft. Uit het beleid volgt ook niet dat bij een hernieuwde inbewaringstelling de eerdere advocaat moet worden benaderd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat in zijn zaak sprake is geweest van een schending van zijn recht op rechtsbijstand. Eiser heeft immers op de vraag of kon worden aangevangen met het gehoor zonder zijn raadsman geantwoord geen bezwaar te hebben om het gehoor zonder advocaat te doen, ongeacht of dit de piketadvocaat of een voorkeursadvocaat was. Op dat moment bestond er dan ook geen belemmering om het gehoor zonder bijstand van een raadsman te laten plaatsvinden. Daar komt bij dat eiser in het verdere verloop van zijn procedure is bijgestaan door mr. Senczuk, er tijdig beroep is ingediend en eiser op de zitting van 23 april 2026 is bijgestaan door mr. Senczuk. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.
5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. [1]
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.