Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
09/226564.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling van echtgenote met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

Op 22 augustus 2025 mishandelde de verdachte zijn echtgenote in hun gezamenlijke woning, waarbij hij haar sloeg, schopte, aan haar haren trok en met spullen gooide. Dit gebeurde in het bijzijn van hun tweejarige dochter, wat leidde tot angst en letsel bij het slachtoffer. De politie trof een ravage aan in de woning en constateerde diverse blauwe plekken en een bult op het hoofd van de aangeefster.

Tijdens de terechtzitting op 15 april 2026 heeft de rechtbank de verklaringen van het slachtoffer, de bevindingen van de politie en getuigenissen van buren betrokken bij haar oordeel. De verdachte ontkende de mishandeling deels en bagatelliseerde de gevolgen, maar de rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer en het bewijsmateriaal overtuigend.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van vier weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 80 uur. Daarnaast legde zij bijzondere voorwaarden op, waaronder een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar gesteld vanwege de ernst van het feit en de voortzetting van de relatie tussen verdachte en slachtoffer.

De rechtbank benadrukte de ernst van huiselijk geweld, de impact op het slachtoffer en het kind, en het gebrek aan verantwoordelijkheid van de verdachte. Het strafblad van de verdachte bevatte geen eerdere soortgelijke veroordelingen. De straf is passend geacht gezien de omstandigheden en het reclasseringsadvies.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een taakstraf van 80 uur met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/226564-25
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.C. van Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Izgi naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 augustus 2025 te [plaats] [aangeefster] , heeft mishandeld, door
- haar een of meermalen in en/of tegen het gezicht te slaan dan wel te stompen,
- haar een of meermalen tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen, en/of
- haar aan haar haren te trekken, en/of
- spullen tegen haar te gooien,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2025284610, van de politie eenheid Den Haag, (doorgenummerd pagina 1 t/m 73).
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 22 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 8-9):
Ik woon samen met mijn man [verdachte] en mijn dochter. Wij wonen te [plaats] .
Vandaag, 22 augustus 2025, was ik in onze woning met [verdachte] .
Ik wilde met hem het gesprek aangaan, maar hierop was hij geflipt.
Vervolgens heeft hij ten eerste een fles wasverzachter op mij gegooid. Hierop gleed ik uit over de wasverzachter, waardoor ik nu pijn aan mijn bil en rug heb. Toen ik op de grond lag kwam hij bij mij staan en begon hij mij te stompen op mijn hoofd en lichaam. Ook begon hij mij te schoppen. Vervolgens begon hij aan mijn haar te trekken en trok hij mij aan mijn haren mee naar de gang. De baby zag alles en was aan het huilen. Ik wilde haar pakken en mijzelf beschermen. Hierop pakte hij een bijzettafel op en gooide die naar mij toe, waarop de tafel tegen mijn been aankwam. Hierop viel ik weer op de grond, waarop hij mij weer begon te slaan en schoppen op hoofd en lichaam. Ik lag op de grond en schermde mij hoofd af met mij armen. Van achteren schopte hij mij in mijn rug.
Ik heb door de mishandeling pijn in billen en rug. Ik heb een bult op mijn hoofd. Ook heb ik last van mijn nek. Op mijn armen, knieën en borst heb ik blauwe plekken. De politie heeft foto's gemaakt van alles waarvan foto's gemaakt konden worden.
2.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, opgemaakt op 23 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 12):
Gisteren is het echt uit de hand gelopen en ben ik ook echt met een vuist
geslagen en ben ik geschopt tegen mijn hoofd en rug.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 18):
Op 22 augustus 2025 kregen wij het verzoek te gaan naar [adres 1] .
Wij zagen in de woning dat het een troep was. Wij zagen dat melder en tevens slachtoffer genaamd [aangeefster] erg emotioneel was. Wij hoorde haar vertellen dat ze zojuist mishandeld was.
Wij zagen en hoorde dat ze heel erg angstig was. Wij hoorde haar zeggen of hij nu komt aan lopen. Wij zagen dat ze meerdere keren door het raam keek. Wij zagen dat ze meerdere keren naar de toegangsdeur keek. Wij hoorde haar zeggen dat ze angstig was.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat verbalisant [verbalisant 2] met de buren aan het praten was. Ik hoorde op dat moment [aangeefster] angstig vragen of haar man voor de deur staat omdat ze stem geluiden hoorde. Ik zag dat ze emotioneel werd en paniek kreeg. Ik hoorde haar zeggen dat ze erg bang was. Ik heb haar toen gerust gesteld.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , hoorde van de van buren op [huisnummer] dat zij vaker geruzie en gestommel horen. Ik hoorde ze zeggen dat ze ook vandaag vlak voordat politie ter plaatse was geruzie en gestommel hoorden.
Ik had contact met het tweejarig kind van [aangeefster] . Ik zag dat het kind op een gegeven moment een tafelpoot, die kapot was, pakte en aan mij gaf. Wij hoorde haar meerdere keren zeggen dat ze angstig was en niet wil dat hij haar nu zou zien.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 21-22):
Op 22 augustus 2025 kregen wij het verzoek te gaan naar [adres 1] .
Wij zagen dat de woning een complete ravage was.
Ik zag dat er overal huisraad lag, wat kapot was. In de kleine slaapkamer was de complete kledingkast leeg en lag de kleding op de grond. Verder lag overal kleine goederen door de woning. Ik liep door naar de woonkamer, alwaar ik een jonge vrouw zag zitten, gesluierd, met bij haar een klein meisje. Beiden keken angstig uit de ogen en waren aan het huilen.
Ik hoorde [aangeefster] vertellen dat vandaag de bom gebarsten was.
Hierop had hij haar gedurende meerdere minuten compleet afgetuigd in het bijzijn van haar dochtertje, door haar te slaan, schoppen, stompen en een fles wasverzachter en een tafel op haar te gooien. Hierbij klaagde [aangeefster] over pijn, en liet zij blauwe plekken zien.
Wij zagen dat [aangeefster] letsel had op haar arm, een blauwe plek. Ook had ze op hals en wang een blauwe plek. Wij lieten een vrouwelijke collega haar hoofd voelen, omdat ze daar ook geschopt zou zijn. De collega hoorde ik zeggen dat [aangeefster] een grote bult op haar hoofd had. Tevens zagen wij dat [aangeefster] een blauwe plek op haar scheen en knie had. Gedurende de aangifte hoorden we [aangeefster] klagen over pijn en vragen om paracetamol.
3.4.
Bewijsoverwegingen
[aangeefster] (hierna : aangeefster) heeft direct na binnenkomst van de politie in de woning verklaard dat de verdachte haar had mishandeld door haar in het bijzijn van hun dochtertje op haar hoofd en lichaam te slaan en te schoppen en door een fles wasverzachter en een tafel tegen haar te gooien. Ook verklaarde zij dat de verdachte haar aan haar haren naar de gang had getrokken. De verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door hetgeen de politie in de woning heeft aangetroffen, kort nadat het incident had plaatsgevonden. De woning was een ravage, onder andere werd een kapotte tafel gezien, en aangeefster alsmede de dochter van aangeefster en de verdachte waren zeer angstig. Ook zijn door de politie letsels bij de aangeefster aangetroffen die passen bij de mishandeling die aangeefster heeft beschreven. Tot slot hebben buren, kort voordat de politie arriveerde, geruzie en gestommel gehoord.
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de genoemde omstandigheden voldoende steun aan de verklaring van aangeefster dat zij door de verdachte is mishandeld, zoals zij dat bij de politie heeft verklaard. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij het letsel niet heeft veroorzaakt en komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 22 augustus 2025 te [plaats] [aangeefster] , heeft mishandeld, door haar tegen het lichaam te slaan en te schoppen, en haar aan haar haren te trekken, en spullen tegen haar te gooien, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere vooraarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf en dat bij een veroordeling rekening dient te worden houden met de dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zijn vrouw in hun gezamenlijke woning mishandeld in het bijzijn van hun, op dat moment, tweejarige dochter. Hij heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vrouw en dit heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid en angst bij zijn vrouw en dochter in hun eigen huis; een plek waar zij zich bij uitstek veilig hadden moeten voelen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat huiselijk geweld in het algemeen en tegen vrouwelijke partners leidt tot maatschappelijke onrust en grote zorgen bij politie en andere instanties, zoals in deze zaak ook blijkt uit de checklist eergerelateerd geweld die aan het dossier is gehecht. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Daarbij komt dat de verdachte nauwelijks verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Hoewel hij erkent dat hij zich agressief heeft opgesteld tegen zijn vrouw, haar heeft geduwd en met spullen heeft gegooid, zegt hij enerzijds vergeten te zijn dat hij zijn vrouw heeft mishandeld en anderzijds ontkent hij de mishandeling. Verder bagatelliseert hij de gevolgen van zijn handelen door opmerkingen van de strekking ‘dat zijn echtgenote een gevoelige huid heeft die snel verkleurt’ en dat de door de politie waargenomen angst bij zijn dochtertje verklaard kan worden door de aanwezigheid van de politie en niet door de door hem gepleegde mishandeling in het bijzijn van zijn dochtertje. De rechtbank weegt het een en ander in het nadeel van de verdachte mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
Verder is tijdens het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de verdachte nu weer samen met zijn vrouw en dochtertje woont. Uit de antwoorden die de verdachte heeft gegeven op vragen van de rechtbank, is niet gebleken dat hij en zijn vrouw hun onderlinge geschillen over het incident en de door zijn vrouw genoemde huwelijksproblemen hebben uitgesproken en opgelost. Nu de verdachte zijn boosheid op 22 augustus 2025 kennelijk niet onder controle heeft weten te houden, acht de rechtbank de voornoemde situatie zorgelijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 17 november 2025. Hieruit volgt dat door de proceshouding van betrokkene geen inschatting gemaakt kan worden van de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de bijzondere voorwaarden. Betrokkene heeft zijn leven op veel gebieden op orde heeft. Wel kan er mogelijk gesproken worden van relatieproblematiek. In welke mate dit heeft meegespeeld bij het ontstaan van de delict situatie kan niet vastgesteld worden. Zowel betrokkene als aangeefster hebben volgens de reclassering de wens de relatie voort te zetten. Betrokkene is voornemens zich op vrijwillige basis aan te melden bij de forensische polikliniek De Waag. Vanuit Veilig Thuis werd het dossier gesloten omdat er geen zorgen werden waargenomen. De reclassering adviseert om bij een veroordeling aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden; meldplicht en ambulante behandeling.
De straf
Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit en de overige omstandigheden, zoals hiervoor zijn weergegeven, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste taakstraf van 80 uur met aftrek van voorarrest alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden. De rechtbank legt daarbij vier weken gevangenisstraf voorwaardelijk op om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de omstandigheden waaronder deze mishandeling heeft plaatsgevonden, en met name het feit dat de relatie tussen de verdachte en zijn vrouw wordt voortgezet waarbij tevens een jonge dochter een rol speelt, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dit geldt temeer, nu er mogelijk sprake is van relatieproblematiek die nog niet is opgelost. Daarom zal de rechtbank op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de bijzondere voorwaarden en uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
en een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (VIER) WEKEN;
welke laatste straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres: [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
en
- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt onder behandeling stelt van de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Hieronder kan ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
80 (TACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
40 (VEERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten en mr. A.V. Sagarajah griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.