In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen een wijziging van zijn WIA-uitkering per 1 mei 2025. Het UWV heeft de beslistermijn overschreden, ondanks ingebrekestelling door eiser. De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn van twee weken heeft beslist.
Het UWV heeft als reden voor de overschrijding een tekort aan verzekeringsartsen en drukte aangevoerd. De rechtbank erkent dat in medische zaken waarbij een verzekeringsarts betrokken is, sprake kan zijn van een bijzonder geval dat een langere termijn rechtvaardigt. Op basis van eerdere jurisprudentie stelt de rechtbank een termijn van maximaal negen weken na verzending van de uitspraak vast, waarbij zes weken zijn gereserveerd voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit.
In dit specifieke geval is een hoorzitting met een verzekeringsarts gepland op 26 maart 2026, waarna het UWV binnen drie weken een besluit moet nemen. Gezien de verstreken tijd legt de rechtbank een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op voor het UWV om alsnog te beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor verdere overschrijding. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.