Eiseres diende op 12 augustus 2025 een aanvraag in voor een WIA-uitkering bij het UWV. Na het uitblijven van een besluit stelde zij het UWV in gebreke en stelde vervolgens op 9 februari 2026 beroep in wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank constateert dat de beslistermijn van twee weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, is overschreden en dat het UWV nog geen besluit heeft genomen.
De rechtbank oordeelt dat in zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, Awb. Gezien het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV, wordt een termijn van negen weken gehanteerd: zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het nemen van het besluit. In deze zaak is een gesprek met een verzekeringsarts gepland op 26 februari 2026, waarna het UWV binnen drie weken een besluit moet nemen.
De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Het betaalde griffierecht wordt aan eiseres vergoed en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 8 april 2026.