Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/1423
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in WIA-uitkeringsaanvraag

Eiseres diende op 12 augustus 2025 een aanvraag in voor een WIA-uitkering bij het UWV. Na het uitblijven van een besluit stelde zij het UWV in gebreke en stelde vervolgens op 9 februari 2026 beroep in wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank constateert dat de beslistermijn van twee weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, is overschreden en dat het UWV nog geen besluit heeft genomen.

De rechtbank oordeelt dat in zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, Awb. Gezien het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV, wordt een termijn van negen weken gehanteerd: zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het nemen van het besluit. In deze zaak is een gesprek met een verzekeringsarts gepland op 26 februari 2026, waarna het UWV binnen drie weken een besluit moet nemen.

De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Het betaalde griffierecht wordt aan eiseres vergoed en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 8 april 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen en een dwangsom wordt opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: M. van Nederveen).

Inleiding

1. Eiseres heeft op 12 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.1.
Eiseres heeft op 9 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op de aanvraag.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op de aanvraag is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 22 januari 2026 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op de aanvraag. Het beroep is daarom gegrond.
3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
3.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na de uitspraak een besluit bekend te maken.
3.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de door eiseres gevraagde vaststelling van het recht op de WIA-uitkering nog niet heeft kunnen plaatsvinden wegens het tekort aan verzekeringsartsen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
3.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
4. Uit het verweerschrift en de dossierstukken blijkt dat op 26 februari 2026 een gesprek met de verzekeringsarts is ingepland. In dit beroep betekent dit concreet dat het Uwv binnen drie weken na het gesprek op 26 februari 2026 een besluit bekend moet maken. Gelet op de tijd die is verstreken tussen het gesprek en de datum van deze uitspraak zal de rechtbank in de beslissing hierna bepalen dat het Uwv binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken.
5. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [4]
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.