Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10004

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL26.18350
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens reeds gewezen uitspraak

In deze bestuursrechtelijke zaak hebben verzoekers, bestaande uit twee personen en hun minderjarige kind, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. Dit besluit was gebaseerd op de verantwoordelijkheid van Roemenië voor de asielaanvragen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag een uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep (zaaknummer NL26.18349), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds heeft beslist op het onderliggende beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18350

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [V-nummer 1] , en

[verzoekster], verzoekster, V-nummer: [V-nummer 2]
mede namens hun minderjarige kind
[kind]
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen omdat Roemenië daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoekers hebben beroep (NL26.18349) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL26.18349 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.