Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [V-nummer 1] , en
[kind]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak hebben verzoekers, bestaande uit twee personen en hun minderjarige kind, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. Dit besluit was gebaseerd op de verantwoordelijkheid van Roemenië voor de asielaanvragen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag een uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep (zaaknummer NL26.18349), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds heeft beslist op het onderliggende beroep.