Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL24.9969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75a AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing proceskostenveroordeling na intrekking beroep verblijfsvergunning

Opposant had beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarin zijn tijdelijke bescherming werd beëindigd en hij moest terugkeren naar zijn land van herkomst. Vervolgens verleende de minister op 20 januari 2025 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, waarna opposant zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat niet was voldaan aan het vereiste van tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. Opposant maakte hiertegen verzet en voerde aan dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling oplegde.

De rechtbank oordeelde dat in de verzetsprocedure alleen beoordeeld kan worden of de vereenvoudigde behandeling zonder zitting terecht is toegepast. Er was geen twijfel over de uitkomst van de eerdere uitspraak, omdat de verleende verblijfsvergunning als tegemoetkoming werd gezien. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de proceskostenveroordeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9969 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 februari 2026 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3957, heeft de rechtbank het verzoek van opposant om een veroordeling van verweerder in de proceskosten afgewezen met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak buiten zitting op het verzet omdat opposant niet om een zitting in de verzetzaak heeft gevraagd.

Beoordeling door de rechtbank

1. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 februari 2024, waarin is bepaald dat hij na 4 maart 2024 geen tijdelijke bescherming meer heeft zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG en dat hij moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
2. Op 20 januari 2025 heeft verweerder opposant in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’. Opposant heeft naar aanleiding hiervan zijn beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 februari 2026 geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste van tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, omdat de vergunningverlening aan opposant niet is gelegen in wat hij in zijn beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten daarom afgewezen.
4. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Hij voert aan dat uit de jurisprudentie inmiddels is gebleken dat het besluit van 7 februari 2024 niet genomen had mogen worden, zodat het beroep in zoverre terecht was ingesteld. Dat hij in reactie op een brief van de rechtbank heeft aangegeven het eens te zijn met het besluit van 20 januari 2025 doet daaraan volgens hem niet af. Tot slot wijst opposant erop dat de rechtbank geen gevolg heeft gegeven aan de aankondiging in diezelfde brief dat bij intrekking van het beroep verweerder om een reactie zal worden verzocht op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Volgens opposant had verweerder in dat geval namelijk erkend dat het besluit van 7 februari 2024 onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In de verzetsprocedure kan alleen worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of er in de beroepszaak terecht zonder zitting uitspraak is gedaan. Wel volgt uit vaste rechtspraak dat als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een behandeling op zitting ook hadden kunnen worden aangevoerd, beoordeeld moet worden of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
6. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. Artikel 8:75a van de Awb schrijft voor dat bij intrekking van een beroep alleen een veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten kan plaatsvinden wanneer sprake is van tegemoetkoming. Uit wat opposant in verzet heeft aangevoerd, volgt niet dat getwijfeld moet worden aan het oordeel in de uitspraak van 26 februari 2026 dat door aan hem een reguliere verblijfsvergunning te verlenen is tegemoetgekomen aan zijn beroep tegen het beëindigen van tijdelijke bescherming. De stelling dat bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 februari 2024 mogelijk een vernietiging daarvan had plaatsgevonden, heeft geen betrekking op de vraag of sprake is van tegemoetkoming. Dat verweerder in de beroepszaak op dat punt niet om een reactie is gevraagd, is daarmee in deze procedure niet relevant.
7. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 26 februari 2026 blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.