ECLI:NL:RBDHA:2026:1000

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL26.704
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 19 november 2025, waarna de rechtbank nu de periode van 19 november 2025 tot 13 januari 2026 beoordeelde.

Eiser stelde dat verweerder niet alle relevante stukken tijdig en volledig had overgelegd, wat in strijd zou zijn met de goede procesorde. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder tijdig uitleg had gegeven over de toegevoegde stukken en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd dat relevante documenten ontbraken. Daarnaast voerde eiser aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn psychische en fysieke klachten, maar de rechtbank vond dat deze klachten niet binnen de te toetsen periode waren aangetoond en dat er geen gewijzigde omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij zij o.a. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025 betrok. Er was geen sprake van belemmeringen zoals het beginsel van non-refoulement of belangen van het gezin die verwijdering zouden tegenhouden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.704

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 november 2025 (in de zaak NL25.55589) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 19 november 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 19 november 2025 tot 13 januari 2026.
Goede procesorde
3. Eiser voert aan dat verweerder in strijd met de goede procesorde niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken volledig en tijdig heeft overlegd. Zo heeft verweerder naar aanleiding van het verzoek om de in de voortgangsrapportage (M120) genoemde gegrondverklaring van 5 januari 2026 aan het dossier toe te voegen, een uitspraak van 24 december 2025 aan het dossier toegevoegd, zonder enige toelichting over de relevatie daarvan. Daarmee blijft onduidelijk wat de uitspraak van 5 januari 2026 inhoudt, en is het onduidelijk op welke procedure de uitspraak van 24 december 2025 ziet, aldus eiser.
3.1.
De rechtbank heeft na het uitblijven van een reactie op het verzoek van eiser van 6 januari 2026 bepaald dat verweerder de in de M120 genoemde gegrondverklaring uiterlijk op 12 januari 2026 aan het dossier moet hebben toegevoegd. Op 12 januari 2026 heeft verweerder, zonder toelichting, een uitspraak van 24 december 2025 op een beroep niet tijdig beslissen aan het dossier toegevoegd. Op 13 januari 2026 heeft verweerder per brief kenbaar gemaakt dat uit onderzoek in zijn systeem en navraag bij DT&V is gebleken dat er op 5 januari 2026 geen gegronde uitspraak is gedaan en dat men in de M120 kennelijk doelde op de uitspraak van 24 december 2025 waarin het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is verklaard.
3.2.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van eiser dat verweerder gegeven termijnen in beginsel dient na te leven en tijdig dient te zorgen voor een compleet dossier. De rechtbank voegt daaraan toe dat wanneer verweerder voorziet dat een termijn niet kan worden gehaald, hij daarover een toelichting dient te geven en zo nodig gemotiveerd om een nadere termijn dient te verzoeken. Als verweerder dat nalaat, kan de rechtbank besluiten om geen acht te slaan op stukken die verweerder alsnog, zij het te laat, aan het digitale dossier heeft toegevoegd. De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van verweerder van 13 januari 2026 en eiser heeft daarvan, bij telefonische reactie van 13 januari 2026 om 17:42 uur, ook gebruik gemaakt. Eisers gemachtigde heeft telefonisch verklaard de beroepsgronden dat sprake is van een onvolledig dossier en onduidelijkheid over de gegrondverklaring te handhaven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat nog steeds onvoldoende duidelijkheid is verschaft over de in de M120 vermelde gegrondverklaring. Zij ziet geen reden om aan de door verweerder gegeven uitleg te twijfelen. Eiser heeft daartoe ook geen aanknopingspunten aangevoerd. Verder volgt zij eiser niet in zijn standpunt dat de rechtmatigheid van de voortduring van de bewaring niet kan worden beoordeeld omdat verweerder geen compleet dossier heeft verstrekt. Eiser heeft niet concreet en aannemelijk gemaakt dat voor die beoordeling relevante documenten nog ontbreken. Hoewel het niet zorgvuldig is dat de toelichting op de in de M120 bedoelde uitspraak pas later aan het dossier is toegevoegd, is niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad.
Lichter middel
4. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hiertoe voert eiser aan dat hij al vier maanden in bewaring zit en dat dit een zware belasting voor hem vormt. Uit het medisch dossier blijkt dat eiser kampt met psychische en fysieke klachten, die tijdens eisers verblijf in detentie aanzienlijk zijn verslechterd.
5. Deze beroepsgrond is eerder aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 26 november 2025. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 5. en 6. van deze uitspraak. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het medisch dossier van eiser dateert van 14 november 2025 en dus buiten de te toetsen periode valt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat eiser inmiddels wel detentieongeschikt moet worden geacht of dat de beschikbare zorg in detentie voor hem ontoereikend zou zijn. De beroepsgrond dat in de te toetsen periode alsnog een lichter middel moest worden toegepast slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.