ECLI:NL:RBDHA:2025:9994
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Turkije
Eiser, een Turkse staatsburger van Koerdische afkomst, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel wegens vermeende discriminatie en politieke vervolging in Turkije. Hij stelde dat hij vanwege zijn etniciteit en politieke activiteiten voor pro-Koerdische partijen risico liep op ernstige schade en detentie.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en bepaalde dat eiser binnen vier weken moest terugkeren naar Turkije. Eiser voerde aan dat hij structureel werd gediscrimineerd, meerdere malen door de politie werd gecontroleerd en dat hij politieke activiteiten ontplooide die hem in gevaar zouden brengen. Hij stelde ook dat Turkse autoriteiten hem via gezichtsherkenningssoftware konden identificeren.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat het te vroeg was ingediend. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling concludeerde de rechtbank dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging had. De ervaren discriminatie was niet ernstig genoeg om als vervolging te gelden en eiser had voldoende bestaansmogelijkheden. Ook was onvoldoende aannemelijk dat eiser bij terugkeer zou worden gearresteerd of vervolgd vanwege zijn politieke activiteiten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.