ECLI:NL:RBDHA:2025:9976

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
25/2890
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken bodemprocedure

Verzoeker heeft op 9 april 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een brief van Pensioenfonds Zorg & Welzijn van 2 april 2025. De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht aan te geven op welk besluit het verzoek betrekking heeft en om een bezwaarschrift te overleggen. Verzoeker gaf aan dat er geen bezwaarschrift is en geen beroepsprocedure is gestart.

De voorzieningenrechter stelt vast dat voor ontvankelijkheid van een verzoek om voorlopige voorziening een lopende bezwaar- of beroepsprocedure vereist is volgens artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat verzoeker geen bodemprocedure heeft aangewezen, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2890

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

Pensioenfonds Zorg & Welzijn, Zorg & Welzijn.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker gericht tegen de brief van Zorg & Welzijn van 2 april 2025.
Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoeker heeft op 9 april 2025 de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 25 april 2025 gevraagd om aan te geven op welk besluit zijn verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. De voorzieningenrechter heeft hem ook gevraagd om een bezwaarschrift over te leggen.
3. Verzoeker heeft bij brief van 6 mei 2025 op de brief van de voorzieningenrechter gereageerd. Uit verzoekers reactie maakt de voorzieningenrechter op dat zijn verzoek kennelijk betrekking heeft op de brief van Zorg & Welzijn van 2 april 2025. Verzoeker heeft in zijn schriftelijke reactie ook aangegeven dat er geen bezwaarschrift is.
4. De voorzieningenrechter van de bestuursrechter, die bevoegd is, of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed dat vereist. [2] Wil een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk zijn, dan moet er tevens een bezwaar- of beroepsprocedure (bodemprocedure) aanhangig zijn. [3]
5. Nu verzoeker heeft aangegeven dat er geen bezwaarschrift is en ook niet is gebleken van een beroepsprocedure, is er in verzoekers geval geen bodemprocedure aan te wijzen. De voorzieningenrechter is daarom, gelet op het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3.Dat valt af te leiden uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.