Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9866

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
NL25.22560
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000paragraaf A5/2.1 Vreemdelingencirculaire
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 17 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 mei 2025.

Eiser betoogde dat het ontbreken van het tijdstip van opheffing van een eerdere maatregel een gebrek vormde, maar de rechtbank oordeelde dat dit een intern ambtelijk document betrof en geen besluit tot beëindiging, waardoor dit bezwaar faalde. Verder werden de door de minister aangevoerde zware en lichte gronden voor de maatregel grotendeels niet betwist en voldoende onderbouwd geacht.

Eiser stelde ook dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, verwijzend naar een eerdere maatregel uit 2016 die toen werd opgeheven. De rechtbank vond echter dat de situatie sinds 2016 was veranderd, onder meer door de recente aanvraag van een laissez-passer, en dat er nu wel zicht is op uitzetting.

De ambtshalve toetsing door de rechtbank bevestigde dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden was voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Leidt het ontbreken van het tijdstip van de opheffing tot een gebrek?
1. Eiser betoogt dat niet kan worden gecontroleerd of de maatregel van 17 mei 2025 aansluitend aan de opheffing van de vorige maatregel (M113) is opgelegd, omdat het tijdstip op de M113 van 17 mei 2025 ontbreekt. Dit leit volgens eiser tot een gebrek.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Aan eiser was eerder een maatregel van bewaring opgelegd in het kader van de beoordeling van een door hem ingediende asielaanvraag (artikel 59b van de Vw 2000). Vast staat dat deze aanvraag op 17 mei 2025 is afgewezen, dat op diezelfde een nieuwe maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, en dat eveneens op 17 mei 2025 de eerdere maatregel van bewaring is opgeheven wegens de wijziging van de grondslag. Niet in te zien valt waarom een tijdstip moest worden geplaatst op dat laatste document. Het model M113 is immers een intern ambtelijk document, waarin wordt vastgelegd dat een maatregel op een bepaalde dag is opgeheven. [1] Het is geen besluit tot beëindiging van een maatregel. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister hoe dan ook 48 uur had voor het wijzigen van de grondslag terwijl in dit geval alles op dezelfde dag is gebeurd.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft enkel de zware grond 3a en 3d en de lichte grond 4c betwist. De onbetwiste zware gronden 3b, 3c en 3i en de onbetwiste lichte gronden 4a, 4b en 4d kunnen de maatregel van bewaring echter al dragen. Deze gronden kunnen de maatregel dragen, omdat zij feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht. [2] Wat eiser heeft aangevoerd tegen de betwiste gronden kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. Aan eiser is eerder een maatregel opgelegd, in 2016, en die is destijds opgeheven omdat er geen zicht op uitzetting was binnen een redelijke termijn. De situatie is gelijk gebleven, dus het ligt op de weg van de minister om te motiveren waarom er nu wel sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is de rechtbank niet gebleken dat zicht op uitzetting naar Egypte in het algemeen ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de laissez-passer aanvraag voor eiser recent is opgestart. Aan de Egyptische autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez-passer in orde te maken. Dat een eerdere maatregel in 2016 is opgeheven, omdat er geen zicht was op uitzetting maakt dit niet anders. Er zit zo’n dusdanige periode tussen de opheffing in 2016 en de nieuwe maatregel in 2025, dat deze situaties niet meer met elkaar vergeleken kunnen worden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling en een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dit volgt uit paragraaf A5/2.1 van de Vreemdelingencirculaire,
2.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.