Eiser heeft voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd gekregen door de Belastingdienst, welke hij betwist. Gedurende 2022 werkte eiser bij vier werkgevers en ontving daarnaast een uitkering van het UWV. Hij heeft meerdere voorlopige aanslagen aangevraagd en gewijzigd, waarop verschillende teruggaven zijn verleend. Na indiening van zijn aangifte in maart 2023 legde de Belastingdienst een definitieve aanslag op met een belastbaar inkomen van €36.530 en een te betalen bedrag van €5.220.
Eiser stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat de voorlopige aanslagen correct waren en dat hij daarom het bedrag niet hoeft terug te betalen. Hij verzoekt tevens om een schadevergoeding. Verweerder betwist het bestaan van een rechtens te beschermen vertrouwen. Tijdens de zitting is vastgesteld dat de aanslag juist is en dat eiser de teruggaven moet terugbetalen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij uit uitlatingen van de inspecteur of bijzondere omstandigheden mocht afleiden dat de definitieve aanslag niet zou worden opgelegd. Het enkele telefoongesprek waarin werd bevestigd dat de voorlopige aanslagen klopten, is onvoldoende om een weloverwogen standpunt van de inspecteur te veronderstellen.
Hoewel de terugbetalingsverplichting vervelend is voor eiser, vooral omdat hij het bedrag al had besteed en een lening moest aangaan, is dit geen grond voor vernietiging van de aanslag. De terugvordering vloeit voort uit te weinig ingehouden loonbelasting en onjuiste voorlopige aanslagen, waarvoor verweerder niet verwijtbaar is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.