ECLI:NL:RBDHA:2025:9474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 mei 2025
Publicatiedatum
28 mei 2025
Zaaknummer
09/206728-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag met een mes, beoordeling van noodweer en strafoplegging

Op 30 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 17 augustus 2023, waarbij de verdachte met een mes zwaaide in de richting van een benadeelde partij, die hem en zijn zoon had aangevallen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, na een confrontatie met een groep jongeren, een mes heeft gepakt en daarmee dreigde. De verdachte stelde dat hij enkel de benadeelde partij wilde afschrikken, maar de rechtbank oordeelde dat hij welbewust de kans op dodelijk letsel had aanvaard door in de richting van de hals van het slachtoffer te zwaaien. De verdediging voerde aan dat er sprake was van noodweer, maar de rechtbank oordeelde dat de verdachte zich had kunnen onttrekken aan de situatie. De rechtbank achtte de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen en legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/206728-23
Datum uitspraak: 30 mei 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] (Tunesië),
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 mei 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. de Vrught, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. van Rossum, naar voren is gebracht.
Als benadeelde partij heeft zich gevoegd [benadeelde partij] , bijgestaan door mr. E.A. Breetveld. Hij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij] met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in de hals, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde partij] met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in de hals,
althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Volgens de verdediging had de verdachte geen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, omdat hij dacht dat het lemmet van het stanleymes waarmee hij volgens de verdediging waarschuwend en afwerend zwaaide, ingeschoven was. Om diezelfde reden was er ook geen voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023254293, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 144).
1.
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 mei 2025, voor zover inhoudende:
Ik heb het stanleymes van mijn zoon meegenomen. Ik had het mes in mijn hand vast. Ik wilde [benadeelde partij] alleen bang maken met het mes. Ik heb met de hand waarin ik het mes vast had een zwaaiende beweging gemaakt in de richting van [benadeelde partij] .
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] , opgemaakt op 17 augustus 2023, voor zover inhoudende (p. 45-46):
Aangever
Achternaam: [benadeelde partij]
Voornamen: [voornaam]
Ik doe aangifte tegen een man die mij bekend is als [de verdachte] . Op donderdag 17 augustus 2023 ben ik naar de Betje Wolffstraat te ’s-Gravenhage gegaan. Ik zag dat [de verdachte] samen met zijn zoon richting de Albert Heijn liep. Ik gaf de zoon van [de verdachte] vervolgens een klap in zijn gezicht. Ik werd toen gestoken door [de verdachte] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 52):
Ik, verbalisant [verbalisant] , reed op donderdag 17 augustus 2023 naar de Aagje Dekenlaan. Ik zag een aantal jongens staan. Ik zag dat 1 van de jongens een bebloede doek tegen zijn kaak hield. Deze jongen bleek te zijn: [benadeelde partij] . Ik zag onder zijn linkerkaak een snijwond van ongeveer 5 centimeter. Ik zag dat de wond openstond en erg diep was.
4. De geneeskundige verklaring van 25 augustus 2023, voor zover inhoudende (p. 124):
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [benadeelde partij]
Voornamen: [voornaam]
A. Uitwendig waargenomen letsel:
Steekverwonding submandibulair links
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 17/08/2023
F. Geschatte duur van genezing: 4 weken.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij een mes in zijn hand vast had, dat hij het slachtoffer bang wilde maken en dat hij met de hand waarin hij het mes vast had een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van [benadeelde partij] . De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat bij de verdachte sprake was van boos opzet op de dood van het slachtoffer.
Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voorts is vereist dat de verdachte de kans op de dood bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte, nadat zijn zoon door het slachtoffer was geslagen, een mes heeft gepakt en in zijn hand heeft vastgehouden. Dit deed de verdachte naar eigen zeggen om het slachtoffer bang te maken en af te weren. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de halsstreek van de mens zich kwetsbare en vitale (slag)aderen bevinden, die, als zij met een messteek worden doorgesneden, een levensbedreigende bloeding kunnen veroorzaken. Door met het mes een zwaaiende beweging in de richting van de halsstreek van het slachtoffer te maken, heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer in die halsstreek gestoken zou worden en als gevolg daarvan zou komen te overlijden.
De rechtbank verwerpt het betoog van de verdediging dat het lemmet van het stanleymes ingeschoven was en door de zwaaiende beweging per ongeluk is uitgeschoven. De verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting verklaard dat het lemmet van het mes gesloten zou zijn geweest. De verdachte is meermaals over de gebeurtenissen verhoord en heeft telkens uitgebreid verklaard. Dat hij nu pas melding maakt van dit essentiële detail, maakt dit onderdeel van zijn verklaring naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Het valt bovendien moeilijk in te zien hoe hij met een gesloten stanleymes heeft kunnen dreigen richting het slachtoffer, zoals hij stelt dat hij heeft gedaan. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte met een stanleymes met uitgeschoven lemmet richting het slachtoffer heeft gedreigd.
De rechtbank acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 17 augustus 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij] met een mes in de hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1.
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), met als gevolg dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe gesteld dat er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding jegens de zoon van verdachte - die zojuist een klap had gekregen - en jegens hemzelf.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de officier van justitie is dat het bewezenverklaarde strafbaar is. De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Er was geen sprake van een dergelijke wederrechtelijke aanranding die de reactie van de verdachte rechtvaardigt. Bovendien had de verdachte anders kunnen handelen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer met ongeveer tien andere jongens de zoon van de verdachte heeft opgewacht in de omgeving van de woning van de verdachte. De verdachte is daarom met zijn zoon meegelopen naar de Albert Heijn, waar zijn zoon moest werken. Onderweg werden zij door de groep met jongens gevolgd en was er sprake van een dreigende sfeer waarbij er woorden werden geuit richting de zoon van de verdachte. Vlak voor de Albert Heijn kreeg de zoon van de verdachte een klap van het slachtoffer. De zoon van de verdachte is vervolgens de Albert Heijn in gegaan en heeft het mes dat hij bij zich droeg aan zijn vader overgedragen. Tussen de verdachte en het slachtoffer is daarna een confrontatie ontstaan waarbij er opnieuw woorden werden geuit naar de verdachte en de verdachte door het slachtoffer werd geduwd. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij achteraf bezien anders had kunnen handelen dan hij gedaan heeft door bijvoorbeeld de Albert Heijn weer in te gaan of niet naar buiten te gaan in afwachting van de politie.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van het slachtoffer weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed), maar was de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk. De verdachte had zich aan de aanranding kunnen en moeten onttrekken door (bijvoorbeeld) de Albert Heijn weer in te gaan. Onder de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich zou onttrekken. Het verweer wordt verworpen.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de officier van justitie is dat de verdachte strafbaar is.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr. De raadsman heeft daartoe gesteld dat verdachte door de bewezenverklaarde gedragingen weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Evenals bij noodweer kan noodweerexces zich slechts voordoen, wanneer de verdediging noodzakelijk was. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de verdediging door verdachte niet noodzakelijk was omdat verdachte zich had moeten en kunnen onttrekken. Dat betekent dat om dezelfde redenen het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, bij veroordeling van verdachte, verzocht om schuldigverklaring zonder oplegging van straf op grond van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, dan wel een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, dan wel oplegging van een taakstraf van 160 uren.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft richting een vijftienjarige jongen met een mes gedreigd en gezwaaid en die jongen daarbij ernstig verwond. Die verwonding in de halsstreek had levensbedreigend kunnen zijn. Dat de jongen niet het leven heeft gelaten, ligt niet aan het handelen van verdachte maar is puur geluk geweest. Dit neemt niet weg dat uit de toelichting bij de schadevergoedingsvordering blijkt dat het slachtoffer een blijvend litteken heeft in zijn nek en nog altijd last heeft van gevoelens van angst. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich kennelijk onvoldoende bewust is geweest van de voorbeeldfunctie die hij als volwassene en als vader ten opzichte van de groep van minderjarige jongens had, ook al wilde hij slechts zijn zoon beschermen. Hij had anders moeten handelen, en dat had van hem ook mogen worden verwacht.
Het feit heeft verder plaatsgehad op de openbare weg voor de ingang van de Albert Heijn en de ruzie en haar gevolgen zijn door vele mensen gezien. Het heeft daarmee impact gehad op die groep mensen. Daarnaast tast een steekpartij op een plaats waar veel mensen dagelijks hun boodschappen komen doen, ook het gevoel van veiligheid van de samenleving in het algemeen aan.
De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij niet (meteen) eerlijk is geweest over wat er is gebeurd. Pas nadat hij tijdens de verhoren werd geconfronteerd met videobeelden waarop te zien was dat hij het mes van zijn zoon kreeg, gaf hij toe dat hij een mes in zijn hand had gehad en niet enkel een bos sleutels. Ook op de terechtzitting kwam de verdachte met een nieuwe – en ongeloofwaardige – verklaring die inhield dat het lemmet van het stanleymes gesloten was.
De rechtbank neemt echter ook in ogenschouw dat de situatie die voorafging aan de gedragingen van de verdachte voor verdachte en zijn zoon bedreigend moet zijn geweest. Het slachtoffer heeft de zoon van verdachte opgewacht met een groep van ongeveer tien jongens. Hij is met deze groep de verdachte en zijn zoon gevolgd naar de Albert Heijn. Het slachtoffer heeft de zoon van de verdachte een klap in het gezicht gegeven en er is zeer kwetsende taal uitgeslagen over de echtgenote van de verdachte. Er is geduwd en getrokken, ook aan verdachte. Dat hij en zijn zoon zich geïntimideerd moeten hebben gevoeld, is invoelbaar voor de rechtbank.
De rechtbank heeft gezien dat verdachte spijt heeft betuigd en dat hij de gevolgen van zijn handelen niet heeft gewild.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 april 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 25 september 2023 en de aanvulling daarop van 14 november 2023, waaruit volgt dat geen sprake is van problematiek en het recidiverisico laag wordt ingeschat. De verdachte heeft een baan en is enig kostwinner. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem vanwege persoonlijke omstandigheden geen gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf.
Gelet op wat hiervoor is overwogen en de straffen die binnen de rechtspraak in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Het gaat hier immers om een strafbare poging tot een levensdelict.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Daarmee wijkt de rechtbank af van hetgeen de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank acht de op te leggen straf echter in lijn met de straffen die binnen de rechtspraak in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en heeft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de context waarin het strafbare feit is begaan, in het voordeel van de verdachte meegewogen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 28 september 2023 voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank zal deze schorsing, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, niet opheffen om de verdachte de kans te geven een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten. De voorwaarden verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis gelden totdat dit vonnis onherroepelijk is.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel zoals gevorderd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft, gelet op de primair bepleite vrijspraak of subsidiair bepleite ontslag van alle rechtsvervolging, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de geringe ernst van de verwonding geen hoge vergoeding rechtvaardigt, en dat de gestelde psychologische impact niet objectief is vastgesteld. Er is bovendien volgens de raadsman sprake van een grote mate van eigen schuld bij de benadeelde partij.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3.5 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had door de messteek lichamelijk letsel aan zijn hals, waaraan hij een blijvend litteken heeft overgehouden. Daarnaast blijkt uit de toelichting op zijn vordering dat hij nog altijd last heeft van gevoelens van angst.
De rechtbank heeft bij de toekenning van de immateriële schade rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel, en de bedragen die in soortgelijke gevallen worden toegewezen. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6.000,--. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 augustus 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
12 (TWAALF) MAANDENniet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis voortduurt;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 6.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 augustus 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde partij] ;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde partij] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
mr. A.J. Nederhoed, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 mei 2025.