ECLI:NL:RBDHA:2025:945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
28 januari 2025
Zaaknummer
NL25.1239
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het kennelijk ongegrond. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet geldt. Hij stelde dat Duitsland het non-refoulementbeginsel schendt door hem uit te zetten naar Pakistan, waar hij gevaar loopt wegens een blasfemieverdenking. De rechtbank oordeelt dat eiser deze stellingen niet concreet en onderbouwd heeft aangetoond.

De rechtbank overweegt verder dat de minister terecht geen toepassing gaf aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Het beroep wordt afgewezen en eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Proceskosten worden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1239

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.1240. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, dit staat in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland op 26 augustus 2024 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 28 augustus 2024, op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Dublinverordening aanvaard.
Verwijzing naar hetgeen eerder naar voren is gebracht
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat in de eerste plaats wordt gewezen naar hetgeen eerder naar voren is gebracht, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op hetgeen naar voren is gebracht door eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of toereikend is niet bespreken.
Mocht de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten aanzien van Duitsland niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Duitsland heeft de aanvraag van eiser afgewezen, ondanks dat eiser heeft gemotiveerd waarom hij in zijn land van herkomst (Pakistan) gevaar loopt en daar niet naar terug kan keren. Eiser heeft zich tegen de beslissing van de Duitse autoriteiten beklaagd door het instellen van beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep afgewezen. Voor eiser bestonden verder geen andere mogelijkheden om zijn beklag te doen. Eiser moest Duitsland verlaten en er dreigde uitzetting naar Pakistan. In Pakistan wordt eiser verdacht van blasfemie, hetgeen in Pakistan strafbaar is gesteld. Bij terugkeer naar Pakistan is eiser daarom zijn leven niet zeker. Eiser verwijst hierbij naar het algemeen ambtsbericht Pakistan van 5 juli 2024. Met het uitzetten van eiser naar Pakistan, schendt Duitsland het verbod van non-refoulement omdat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van onder meer artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
6.1
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in het algemeen vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. [4] Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [6]
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland in het geval van eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft zijn stellingen in zijn geheel niet onderbouwd en heeft ook anderzijds niet aangetoond dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem van Duitsland.
6.3
Voorts overweegt de rechtbank dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat toetsing of indirect refoulement aannemelijk is, niet aan de orde is binnen de Dublinprocedure, als ten aanzien van de aangezochte lidstaat mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [7] Uit r.o. 6.1 en 6.2 volgt dat de minister ten aanzien van Duitsland terecht uitgaat van het interstatelijke vertrouwensbeginsel en de vraag of indirect refoulement aannemelijk is, ligt dan ook niet voor ter beoordeling. Een eventueel verschil in toelatings- of beschermingsbeleid kan daarbij volgens het Hof van Justitie niet worden aangemerkt als een systeemfout, nog daargelaten dat eiser in deze procedure ook geen informatie heeft ingebracht waaruit valt af te leiden dat sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Duitsland en Nederland.
Moet de minister de asielaanvraag in behandeling nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat er voor de minister aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser betoogt hiertoe nogmaals hetgeen in r.o. 6 is uiteengezet.
7.1
Uitgaande van de terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Eiser heeft zijn stellingen niet onderbouwd. De minister heeft in de omstandigheden van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
5.Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
6.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.
7.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, zaken C228/21, C254/21, C297/21, C315/21 en C328/21, ECLI:EU:C:2023:934, r.o. 140-142.