De minister legde op 12 mei 2025 een nieuw terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van 0 dagen aan eiser, nadat een eerder terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen op 8 mei 2025 was gegeven. Eiser betoogde dat de minister de vertrektermijn niet mocht verkorten zonder het eerdere besluit eerst op te heffen en dat de verkorting niet gerechtvaardigd was door kleine overtredingen.
De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was de vertrektermijn te verkorten op grond van het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, zoals voorzien in artikel 62, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had dit risico voldoende onderbouwd met verwijzing naar zware en lichte gronden uit het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verder stelde eiser dat hij vanwege psychische problemen in een zorgcentrum verbleef en dat vreemdelingenbewaring in dat centrum onrechtmatig was. De rechtbank stelde vast dat het zorgcentrum als huis van bewaring kan worden aangemerkt en dat eiser op grond van vreemdelingenbewaring verblijft. Er was geen andere titel voor zijn verblijf in het centrum.
Eiser voerde ook aan dat er geen zicht op uitzetting was vanwege medische omstandigheden en het verblijf in het zorgcentrum. De rechtbank vond dat er geen medische indicatie was die uitzetting belemmerde en dat uitzetting vanuit het zorgcentrum mogelijk is.
De rechtbank concludeerde dat de beroepen ongegrond zijn en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.