ECLI:NL:RBDHA:2025:9396
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, met Somalische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kan worden vanwege vermeende systeemfouten in Duitsland, met name het ontbreken van passende medische zorg voor zijn ernstige oogziekte (keratoconus). Tevens stelde hij dat hij onvoldoende tijd had gekregen om medische stukken in te dienen en dat verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn verzoek had moeten heroverwegen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook was onvoldoende onderbouwd dat Duitsland niet de benodigde medische zorg kan bieden. De rechtbank verwierp de stelling dat eiser onvoldoende tijd had gekregen en vond dat verweerder niet hoefde af te wijken van de Dublinverordening omdat bijzondere omstandigheden ontbraken.
Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.