ECLI:NL:RBDHA:2025:9118
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2024 waarin hem geen reguliere verblijfsvergunning is toegekend. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en besloot om, ondanks het niet voldoen aan indieningsvereisten, inhoudelijk op het verzoek in te gaan vanwege uitzonderlijke omstandigheden.
Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij onder het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije valt en bood aan zijn aanvraag alsnog compleet te maken. Deze stellingen werden echter niet onderbouwd en verzoeker maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. Hierdoor werd het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Gezien het ontbreken van enige kans van slagen van het bezwaar en het feit dat het verzoek kennelijk was bedoeld om uitzetting te voorkomen, verklaarde de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het besluit tot weigering van een verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.