ECLI:NL:RBDHA:2025:9111
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de uitzetting naar Turkije te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, vanwege uitzonderlijke omstandigheden waaronder misbruik van recht en gebrekkige communicatie door verzoekers in een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van de uitzetting.
Verzoeker beroept zich zonder onderbouwing op het associatierecht tussen de EU en Turkije en toont bereidheid de aanvraag aan te vullen, maar maakt geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden te verduidelijken. De voorzieningenrechter acht het bezwaar kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het bezwaar wordt eveneens ongegrond verklaard op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.