ECLI:NL:RBDHA:2025:9098

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL25.13653
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 WbtvArt. 6:22 Algemene wet bestuursrechtArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser diende op 26 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank behandelde het beroep op 9 mei 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.

Eiser stelde dat tijdens het aanmeldgehoor op 2 februari 2025 ten onrechte een niet-registertolk werd gebruikt zonder schriftelijke motivatie, wat volgens hem een schending van de regels was. De rechtbank constateerde een gebrek in de besluitvorming, maar passeerde dit omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij hierdoor benadeeld was.

Verder voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Zwitserland niet meer geldt vanwege zorgen over opvanglocaties, maar de rechtbank volgde de eerdere jurisprudentie en concludeerde dat Zwitserland haar internationale verplichtingen nakomt.

Tot slot stelde eiser dat overdracht aan Zwitserland indirect refoulement oplevert omdat zijn asielverzoek daar was afgewezen, maar ook deze grond faalde wegens gebrek aan concrete aanwijzingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de overdracht aan Zwitserland en veroordeelde verweerder in de proceskosten van € 907,- wegens het gebrek rond de tolk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Heida),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Eiser heeft op 26 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 9 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Zwitserland. Op 21 februari 2025 heeft Nederland aan Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 27 februari 2025 heeft Zwitserland dit verzoek, op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, aanvaard.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Registertolk
5. Eiser voert allereerst, samengevat, aan dat verweerder tijdens het aanmeldgehoor op 2 februari 2025 ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. Dat sprake is van onverwijlde spoed, blijkt volgens eiser niet. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom er geen beëdigde tolk beschikbaar was en heeft geen afweging gemaakt of op een beëdigde tolk kon worden gewacht.
5.1.
Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv, maakt verweerder in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. In afwijking van die hoofdregel kan gebruik worden gemaakt van een niet-beëdigde tolk of vertaler, als er vanwege de nodige spoed geen registertolk tijdig beschikbaar is (artikel 28, derde lid, van de Wbtv). Dit moet wel schriftelijk worden gemotiveerd (artikel 28, vierde lid, van de Wbtv).
5.2.
Het is niet in geschil dat verweerder bij het aanmeldgehoor gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting verklaard dat hij heeft gesproken met de betreffende gehoormedewerker, die zei dat er tijdens het gehoor geen registertolk beschikbaar was. Aan de Dublinprocedure zijn krappe termijnen verbonden, dus er was volgens verweerder spoed. Volgens verweerder is het feit dat niet schriftelijk is vastgelegd waarom deze spoed het gebruik van een niet-registertolk vereiste een gebrek in de besluitvorming. Dit gebrek kan volgens verweerder worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft in dat kader op de zitting gesteld dat eiser geen correcties en aanvullingen heeft ingediend, waarin bezwaar tegen het gebruik van een niet-registertolk had kunnen worden gemeld. Ook is in de zienswijze geen melding gemaakt van het gebruik van de niet-registertolk en is in de gronden van beroep niet aangegeven wat is niet goed is gegaan in het gehoor. Volgens verweerder is dus niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad met het gebruik van de niet-registertolk.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat sprake was van spoed die het gebruik van een niet-registertolk rechtvaardigde. Op zich is juist dat in de Dublinprocedure korte termijnen gelden, maar eiser heeft terecht opgemerkt dat verweerder na 26 januari 2025 nog twee maanden had om het terugnameverzoek in te dienen. Het terugnameverzoek is ook pas 19 dagen na het aanmeldgehoor gedaan, en het bestreden besluit is van bijna twee maanden na het aanmeldgehoor. Daar komt bij dat het ging om een tolk Engels, waaraan in de tussentijd wel te komen had moeten zijn. Het is de rechtbank dan ook niet duidelijk waarom het gehoor niet is uitgesteld zodat gebruik gemaakt kon worden van een registertolk. Dit is een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank zal dit gebrek echter passeren, omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door het gebruik van de niet-registertolk. Eiser heeft bij aanvang en aan het einde van het aanmeldgehoor verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen in het Engels (p. 2 en 9). Verder is het aan eiser om nader te concretiseren wat hij niet heeft kunnen verklaren door de aanwezigheid van deze tolk of wat hij anders heeft verklaard dan hoe het in het verslag van het gehoor staat. Dat heeft hij nagelaten.
5.4.
De beroepsgrond slaagt. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser betoogt verder dat ten opzichte van Zwitserland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiertoe heeft eiser verwezen naar het AIDA rapport over Zwitserland, update 2023 (het AIDA-rapport). Hierin staat dat er door de grote stijging van asielaanvragen in 2022 veel tijdelijke opvanglocaties zijn gecreëerd waar veel zorgen over zijn (p. 106 van het rapport).
6.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in verschillende uitspraken, waaronder een uitspraak van 13 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:265), ten aanzien van Zwitserland bevestigd dat nog steeds kan worden uitgegaan van het vermoeden dat zij bij de behandeling van asielzoekers haar internationale verplichtingen zal nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zie ook het
Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Eiser heeft dit vermoeden niet weerlegd met de verwijzing naar het AIDA-rapport. De rechtbank stelt in dat kader voorop dat de Afdeling met de hiervoor genoemde uitspraak van 13 januari 2025 een uitspraak van de rechtbank bevestigd waarin het AIDA-rapport is meegenomen. Er zijn door de Afdeling geen latere uitspraken gedaan waarin anders is geoordeeld. Daarnaast volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het AIDA-rapport onvoldoende om aan te nemen dat er in Zwitserland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en dat eiser buiten zijn wil en keuzes terecht kan komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie (zoals bedoeld in het
Jawo-arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Eiser heeft in dat verband ook niet toegelicht dat de door hem gestelde problemen van toepassing zijn op Dublinclaimanten. Verweerder mag dus uitgaan van het vermoeden dat de Zwitserse autoriteiten hun internationale verplichtingen nakomen.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
7. Volgens eiser is het overdrachtsbesluit verder in strijd met het beginsel van (indirect) refoulement, omdat Zwitserland het asielverzoek van eiser al heeft afgewezen. Eiser stelt dat, nu deze afwijzing in rechte vast staat, hij na overdracht aan Zwitserland zal worden uitgezet naar Sierra Leone en daarmee het risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
7.1.
Voor zover de rechtbank gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359), in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934), al binnen de kaders van een Dublinprocedure kan beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, is de rechtbank van oordeel dat er in het geval van eiser geen concrete aanwijzing bestaat dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op indirect refoulement. Eiser heeft zijn stelling op dit punt niet onderbouwd.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland.
9. Vanwege het in rechtsoverweging 5.3 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Horst - van Dee, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.