ECLI:NL:RBDHA:2025:9088
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een beslistermijn werd gesteld waarbinnen de minister een besluit moest nemen.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen deze termijn heeft beslist en verklaart het beroep gegrond. Omdat de minister geen verweerschrift heeft ingediend, is onduidelijk wanneer alsnog een besluit wordt genomen. Daarom legt de rechtbank een termijn van twee weken op waarbinnen de minister moet beslissen, met een dwangsom van €250 per dag vertraging, tot een maximum van €37.500.
De rechtbank overweegt dat een bestuurlijke dwangsom uit een eerdere procedure niet opnieuw wordt vastgesteld, omdat de wetgever niet voorziet in een dubbele dwangsom bij herhaalde termijnoverschrijding. Daarnaast krijgt eiser een vergoeding voor proceskosten en het griffierecht, omdat hij een professionele gemachtigde inschakelde. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op voor het alsnog beslissen op de aanvraag.