Eiser, van Tunesische nationaliteit, diende op 17 januari 2025 een asielaanvraag in. Verweerder verlengde op 19 februari 2025 de overdrachtstermijn op grond van gevangenzetting. Vervolgens werd de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was. De rechtbank verklaarde dit besluit ongegrond op 3 april 2025.
Op 17 maart 2025 verlengde verweerder opnieuw de overdrachtstermijn, ditmaal vanwege onderduiken. Eiser stelde dat deze grondslag onjuist was aangezien hij in preventieve hechtenis en bewaring verbleef. Tijdens de zitting erkende de gemachtigde van verweerder dat onderduiken niet van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat de verlenging op 19 februari 2025 al rechtsgeldig was en dat de tweede verlenging onterecht was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit van 17 maart 2025 en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €907. Omdat eiser inmiddels was overgedragen, zag de rechtbank geen aanleiding tot een nieuw besluit.