ECLI:NL:RBDHA:2025:8955
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 30 oktober 2024, waarin is bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en is, ondanks het ontbreken van volledige indieningsvereisten en de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden, inhoudelijk op het verzoek ingegaan. De rechter constateerde dat verzoeker niet duidelijk maakte welke voorlopige voorziening werd gevraagd en dat het verzoek vermoedelijk betrekking had op opschorting van het primaire besluit.
Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij onder het associatierecht tussen de EU en Turkije viel, maar heeft dit niet onderbouwd en ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond zijn en wees deze af.
Daarop verklaarde de voorzieningenrechter het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.