ECLI:NL:RBDHA:2025:8772
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 november 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens heeft hij een voorlopige voorziening verzocht om de gevolgen van het besluit op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht binnen een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht naar Turkije.
Verzoeker beroept zich op het associatierecht tussen de EU en Turkije, maar onderbouwt dit niet en maakt geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. De voorzieningenrechter acht het bezwaar kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens verklaart hij het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.