ECLI:NL:RBDHA:2025:8720
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging vanwege uitzonderlijke omstandigheden voorbij aan de indieningsvereisten. Deze omstandigheden bestonden uit een cluster van vele vergelijkbare zaken met communicatieproblemen en vermoedelijk misbruik van recht.
Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeer. Zijn beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije was onvoldoende onderbouwd en hij maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.